‘Schrijven is als mayonaise maken’

Met éénlettergrepige woorden wilde ze kinderen aan het lezen krijgen. Van haar serie ‘Vos en Haas’ zijn hier 185.000 exemplaren verkocht. ‘Wolf en Hond’ hebben intussen hun opwachting gemaakt. En nu is er een thriller voor laaggeletterden. „Ik schreef als kind al.”

Eind jaren negentig had Sylvia Vanden Heede een writer’s block. „Ik liep vast in een boek voor adolescenten. Mijn uitgever zei: leg dat even opzij.” De Vlaamse schrijfster was op dat moment leesmoeder op de school van haar dochter. „De beste lezers kregen een echt boek, terwijl de zwakste lezers groene kaartjes kregen waarop een lijst met woordjes stond. Een lijst met woorden! Alle lust tot lezen vergaat je toch op die manier! Mijn dochter, mét een boek, kreeg zinnen voor zich als: ‘De mus zit op het dak en de aap zit in de ton’. Maar dat is toch geen verhaal? Hoe die aap in die ton kwam en wat er verder gebeurde vertelde het boek niet.”

Dat was de kiem van Vos en Haas, een serie van nu dertig boeken, met tekeningen van Thé Tjong-Khing. In totaal zijn er ruim 185.000 ‘Vos en Hazen’ verkocht, in Nederland en België, maar ook in vertaling in onder meer Duitsland, Nieuw-Zeeland en China. Deze herfst verscheeen deel 27: Vos en Haas en de bosbaas.

Met het eerste boek van Vos en Haas konden kinderen van vijf, zes, zeven jaar een heus verhaal lezen. „Ik wilde voor deze jonge lezers een interessant boek maken. Met dezelfde korte, simpele woorden – maar wel met een zinnig verhaal. Het moest per se een dik boek zijn, zodat kinderen het idee krijgen echt iets in handen te hebben. Ik wilde aparte hoofdstukken met aan het eind een cliffhanger, en veel witruimte om de woorden. Dat alles maakt dat je makkelijk een hoofdstuk uit hebt. Dat geeft kinderen moed: ‘wauw, alweer twintig bladzijden gelezen’.”

Schiften

Bewust voerde Vanden Heede de moeilijkheidsgraad op in de loop van het boek. „Het is net als mayonaise maken. Je moet geleidelijk de mosterd en de olie erbij doen. Niet te snel, anders gaat het schiften. En zo voegde ik stilaan moeilijke woorden toe.” Wie en wat er in welke volgorde bij komt, luistert nauw. Uil bijvoorbeeld, een tweeklank, mocht pas komen na de oe van soep. Deze opbouw heeft ze overigens in de latere delen losgelaten.

Sommige woorden in een zin zijn groter gedrukt. „Om de saaiheid eruit te halen. Kinderen lezen naar die woorden toe. Als wij lezen dan gaan onze ogen tijdens het lezen naar voren en weer naar achteren. Kinderen kunnen dat nog niet, die struikelen als ze dat doen. Die variatie in de grootte van woorden haalt bovendien die eerste-lezersdreun eruit, die ook tamelijk vermoeiend is voor leesouders.” Ze keek die nadrukvorm af van Joke van Leeuwen, zoals in Sus en Jum, maar ook Annie MG Schmidt en Paul van Ostaijen gebruikten die vorm. „Zo zie je, de ene schrijver pikt van de ander.”

Schrijven doet de in Brugge woonachtige Vanden Heede zo lang ze zich kan heugen. „Ik maakte vaak onaffe verhaaltjes en ik tekende altijd. Ik las, ik tekende en ik schreef. Ik kon als kind erg slecht zien, maar had lange tijd niet door dat ik een bril nodig had. Wanneer de juf op school me vroeg iets op te schrijven, dan deed ik maar wat. Het schoolbord was voor mij een groen wazig vlak.

„Buitenspelen deed ik niet vaak. En als ik dat deed, dan verzon ik een verhaal dat mijn broers moesten uitvoeren. Ik had een imaginair paard, een schimmel die Bliksem heette. Als we naar school liepen, maakte ik paardengeluiden, kataklop. Mijn broers hielden daar snel mee op als er iemand bij kwam, maar ik ging door.

„In mijn kindertijd spraken de meeste mensen in mijn geboortestreek dialect thuis, maar mijn ouders besloten dat we Algemeen Beschaafd Nederlands zouden spreken. Ik sprak nooit dialect – ook niet stiekem, zoals mijn broers wel eens deden. Nu verwijten sommige Belgen mij soms dat mijn taal te Nederlands is.”

Dat Vos Vos werd en Haas Haas, komt door de kortheid van hun soortnaam. Vanden Heede had een lijst korte, eenlettergrepige woorden. „Ik begon met dieren. Kinderen zijn veel moeilijker om als hoofdfiguur te nemen, je bent dan al snel gebonden aan een veranderend modebeeld. Toch zijn het eigenlijk kinderen, zeker Vos. Ze hebben geen papa en mama, ze wonen in een hol in het bos. Wie woont er in een hol in het bos? Kabouters, maar ik hou niet van kabouters.”

De dieren zijn niet veel veranderd in de loop van twaalf jaar. „Haas is wat gevoeliger geworden, Vos misschien wat volwassener. De boeken zelf zijn wel veranderd. Bijfiguren zijn belangrijker geworden. Ever is een stoere kerel. Mij stond een macho voor ogen met een brede torso, Hells-Angelachtig. Khing heeft een wrattenzwijn van hem gemaakt. Een man die stoer wil zíjn, maar dat niet is. En Jak, natuurlijk, die is onverholen vals. Siem, mijn zoon, vindt Jak geweldig.”

Ze is iets ‘jongensachtiger’ gaan schrijven onder invloed van haar zoon, een nakomeling na drie meisjes. „Ik dacht dat ik in mijn schrijven geen onderscheid maakte tussen jongens en meisjes, maar ik heb mij mening moeten herzien. Mijn zoon houdt van eng en gevaar. Ik heb nu wat gevaarlijker bijfiguren.” Zo komen in Bosbaas ratten voor. „Deze verschenen eerst in Khings prentenboek Waar blijft de taart. Khing, die graag sinistere figuren tekent, heeft ze grote waterpistolen gegeven. Aanvankelijk wilde ik liever kalasjnikovs, maar dat vond mijn uitgever te ver gaan.”

Hoe succesvol en bekroond Vos en Haas ook zijn, hun geestelijk moeder werd ze een beetje beu. „Ik wilde weg uit dat bos. Dat brave bos. Ik wilde iets wilders, aan een nieuwe draad beginnen.” In 2009 verzon ze een nieuw dierenduo, Wolf en Hond, waarbij ze samenwerkte met een andere illustrator, Marije Tolman.”

Vlek

Met Wolf en Hond beperkte ze zichzelf nog verder door alléén éénlettergrepige woorden te gebruiken. Wolf. Hond. Tam. Mak. „Wolf is een neef van hond. Ik had er ook zijn broer van kunnen maken, maar vond neef beter, want hij is echt anders. Hij heeft een vlek, dus niet het meervoud vlekken. Eén lettergreep. Zo schrijven, dat is een parelsnoer rijgen. Spelen met grenzen is een manier om je gedachten te dwingen om bepaalde vondsten te doen.’’

Vanden Heede is niet snel tevreden. „De deleteknop is mijn meest gebruikte toets.” De eerste Vos en Haas, die waren goed gelukt, vindt ze. En ook het deel Dief van Iek en Wok van Wilden. Ze heeft uiteenlopend werk op haar naam staan, zo schreef ze historische verhalen en een gebedenboek voor kinderen. „Onlangs is mijn thriller voor laaggeletterden De kooi uitgekomen. Volwassenen laaggeletterden welteverstaan. Ik heb altijd al een dikke thriller willen maken en ik vind het enorm belangrijk dat mensen die moeite hebben met lezen toch leesplezier krijgen. En het is ook fijn voor mij om eens voor volwassenen te schrijven.”

Overigens hoopt ze ooit, ‘‘voor ik sterf’’, haar historische roman af te maken die zich afspeelt in het Waasland in 12de-eeuws Vlaanderen. „Het beginpunt was Reinaert de Vos, de titel is Isegrin. Inmiddels heeft het niets meer met de Reynaert te maken. Dat dit boek er na zeven jaar nog niet is genomen, komt door faalangst, vrees ik. Ik verzink in details, stel het uit, maar eigenlijk ben ik bang dat niemand erop zit te wachten. Vos en Haas, en alle delen daarvan, dat zijn allemaal gewenste kinderen. Hoe kan ik vanuit die klapper iets anders brengen? Als je een naam hebt, dan kun je die ook verliezen.”