Reken economen voortaan af op kwaliteit publicaties

De beste economen hebben geen 900 maar 14 of 15 toppublicaties op hun naam staan. Beoordeel hen alleen daarop, schrijft Arnoud Boot.

Hoezo veel publiceren en zelfplagiaat? De integriteit van de wetenschap staat ter discussie. De kop op de voorpagina van NRC Handelsblad van dinsdag jl. over het zelfplagiaat van de VU-wetenschapper Peter Nijkamp vraagt echter om een duidelijke afbakening van waar er een probleem is, en waar zeker niet.

Sprekend voor de economische wetenschappen wil ik op twee vragen ingaan. Ten eerste, wat maakt je tot een internationaal gerespecteerd econoom en hoe verhoudt dat zich tot het maximaliseren van het aantal publicaties? En de tweede vraag is: hoe zit het nu echt met de discussie over zelfplagiaat? Waar loopt die discussie spaak?

Natuurlijk is er sprake van te veel en te grote nadruk op het aantal publicaties. Een oud-collega mailde mij gisteren – waarom kunnen we niet terug naar de situatie van vroeger, je schreef alleen iets als je iets te melden had. Hoe nostalgisch dat ook mag klinken, laten we niet vergeten dat er vroeger aan Nederlandse universiteiten bijna geen onderzoek werd gedaan. Dus naar die ‘spruitjestijd’ willen we niet terug. Het stellen van eisen aan mensen is dus noodzakelijk en publiceren is daar onderdeel van. Het goede nieuws is ook dat binnen de internationale wetenschap je er niet komt met veel publicaties – je reputatie hangt af van publicaties in toptijdschriften. De selecte groep toonaangevende Nederlandse economen heeft maximaal 12 à 15 van dergelijke publicaties op haar naam staan.

De 900 publicaties van Nijkamp (repec.org, zie verwijzing in noot in Wikipedia) zeggen dus weinig. Preciezer nog, de betreffende ranglijst, met hoeveelheid publicaties, waar Nijkamp bovenaan staat, laat geen verband zien met toppublicaties. En ja, je mag het Nederlandse universitaire bestuurders kwalijk nemen als er enig voordeel te halen is uit het maximeren van dit aantal. Het simpele criterium moet zijn dat alleen kwaliteit en reputatie tellen, naast uiteraard bijdragen aan onderwijs, bestuur en maatschappij. Dat laatste is belangrijk: het gaat niet alleen om internationale toppublicaties, meer lokaal opererende creatievelingen mogen er ook zijn. Maar weg dus met verziekende kwantitatieve maatstaven.

Zoals het commentaar van de NRC van woensdag al aangaf is het rommelen met data en analyses om leukere resultaten te krijgen fraude, en hetzelfde geldt voor het ‘stelen’ van andermans onderzoek. Maar NRC gaat in haar commentaar wel erg kort door de bocht door het herhalen van je eigen boodschap, zonder dat je erbij zet dat je je herhaalt, plagiaat te noemen omdat dat nu eenmaal in de regels staat.

Waar het debat en het commentaar in de fout gaan, is dat er niet één soort publicatie is. Er zijn namelijk wetenschappelijke publicaties waarin origineel onderzoek wordt gepubliceerd en beleidspublicaties (‘policy papers’) die bedoeld zijn om onderzoek te vertalen in een boodschap aan de maatschappij. Voor deze laatste geldt dat het cruciaal is dat wetenschappers hun boodschap wel degelijk herhalen. Als ik risico’s zie in de financiële sector, dan wilt u dat ik dit opschrijf, en niet één keer, maar vaker omdat het alleen dan invloed heeft op beleidsmakers. En dit zou nu opeens zelfplagiaat zijn, en verwerpelijk? Of ik zou er elke keer bij moeten zeggen dat ik het al eerder heb gezegd? Neen, natuurlijk niet, en het staat ook nergens dat dat verkeerd is. Voor economen met een maatschappelijke inslag is het niet vreemd om driekwart van de publicaties in de beleidshoek te hebben, en een kwart als wetenschappelijke bijdrage waar originaliteit moet zijn gegarandeerd.

Dit onderscheid is niet moeilijk te maken. Voor mijn vakgebied binnen de economie betekent dit dat voor publicaties in bijvoorbeeld tijdschriften als The American Economic Review, Review of Financial Studies of The Journal of Finance de originaliteit moet zijn gegarandeerd, maar dat ik mezelf zeker mag herhalen – maar niet in strijd met copyright uiteraard – in bijdragen aan publicaties van centrale banken, andere beleidsgerichte bladen, en achtergrondartikelen in boeken.

Wat duidelijk is, is dat universitaire bestuurders weg moeten van puur kwantitatieve maatstaven. Afrekenen doe je op basis van kwaliteit en niet op basis van hoeveelheden. Herkauwen van eigen werk – voorzover niet relevant voor het beleidsdebat – is hiermee meteen van de baan. Gelukkig loopt de internationale reputatie van economen hierop vooruit.