Nieuwkomers verdreven de deftige maffia

Hoe functioneerde de grachtengordel tussen 1870-1910? In oude families met macht drongen in die tijd échte ondernemers binnen. Liefdadigheid en roddelzucht hielden niet op, net als het antisemitisme.

Wie trouwt met wie, wie schuift elkaar baantjes en bestuursfuncties toe, waar woont men, waar treft men elkaar? In negentiende-eeuws Amsterdam was het voor ieder die wilde weten waar de macht zat, van groot belang om te doorgronden hoe deftige families als Dedel en Backer, Van Loon en Van Lennep, Heldring en Boissevain onderling verweven waren. Voor de historicus die aan elite-onderzoek doet, is dat nog steeds essentiële kennis: geschiedschrijving komt soms neer op roddelverhalen.

Barbara van Vonderen lijkt een speciale antenne voor dat soort verhalen te hebben. Zij las talloze oude familiebrieven en aantekenboekjes om een beeld te krijgen van de Amsterdamse grachtengordel-elite tussen 1870 en 1910, en ze weet daar op een levendige manier over te schrijven. De ons-kent-ons-toon uit haar archiefmateriaal combineert zij met ingehouden moderne verbazing.

Aan het begin van de negentiende eeuw had een besloten groep oude families, afstammelingen van het regentenpatriciaat uit de tijd van de Republiek, het nog helemaal voor het zeggen. Maar allengs drongen nieuwkomers door in de hoogste kringen. Die waren ondernemender en konden beter overweg met vernieuwingen die vanaf 1848 waren ingevoerd, zoals gemeenteraadsverkiezingen, waar de oude elite van gruwde. De deftige maffia die jarenlang de stad had beheerst alsof die van haar was, begon zich terug te trekken. Intussen brachten de nieuwkomers Amsterdam tot grote bloei. Bedrijven, musea, ziekenhuizen werden opgericht, nieuwe wijken gebouwd: hoe dat ging, staat in dit boek tussen de familiegeschiedenissen door beschreven.

Maar ook de nieuwe families, zoals de Boissevains (pater familias Jan richtte in 1870 de Stoomvaartmaatschappij Nederland op), waren deftig en vormden familienetwerken. Hun kinderen trouwden met leden van andere machtige families, jonge en oude. De lijst met honderden namen en adressen waar het overlijdensbericht van Boissevains oudste zoon Gideon (1863-1881) naar toe ging, noemt Van Vonderen een indrukwekkend egodocument: ‘Heel Amsterdam stond rond de kist op het kerkhof,’ schrijft zij. Dat zij niet vermeldt op wélk kerkhof, noch dat op zo’n begrafenis traditiegetrouw alleen mannen kwamen, is op zichzelf een kleinigheid, maar het is kenmerkend voor de vreemde lacunes in dit boek. Zo wordt uitvoerig verteld over de sleutelrol die de bals van de exclusieve Casino-vereniging speelden in het sociale leven, maar nergens staat dat ook Den Haag zo’n Casino had. En terwijl we voortdurend lezen in welke grachtenhuizen de families wonen, blijft onvermeld waar die roemruchte Casinobals dan wel plaatsvonden.

Vreemd is ook dat Van Vonderen vrijwel geen woord vuil maakt aan het wijdverbreide antisemitisme: ook aanzienlijke Joden hadden nauwelijks toegang tot sociëteiten en andere gezelschappen. Dit was in de rest van Nederland niet anders, maar wie een beeld wil oproepen van het sociale leven in een stad, kan het niet verzwijgen.

Er zijn meer bezwaren tegen dit boek: redactionele slordigheden, een incompleet en onduidelijk personenregister en gebrekkige bronvermeldingen. De literatuurlijst bevat nogal wat verouderde bronnen, terwijl nieuwe, eveneens zeer relevante, ontbreken.

Van Vonderens boek kan dan ook niet in de schaduw staan van het monumentale Plaatsen van beschaafd vertier door Jan Hein Furnée (Bert Bakker 2012, niet in haar literatuurlijst). Dat boek, ondertiteld Standsbesef en stedelijke cultuur in Den Haag 1850-1890, is eveneens een poging om sociale netwerken in een stad bloot te leggen. Furnée gaat daarbij niet uit van families, maar van de ontmoetingsplaatsen – sociëteiten, schouwburgen, de badplaats Scheveningen – waar burgerij en beau monde zich uitleefden in sociale distincties.

Deftig en ondernemend is vooral de moeite waard vanwege de familieverhalen – roddels op hoog niveau. Bijvoorbeeld over het gezin van de bankier Balthasar Heldring, de grootvader van ‘onze’ mr. J.L. Heldring, die trouwde met een meisje Sillem, uit een oud Amsterdams regentengeslacht, en na haar dood met haar zuster. Of dat van Jan Boissevain, wiens echtgenote Nella Brugmans iedere maandagochtend ‘een heelen stoet oude vrouwtjes of hun nabestaanden’ ontving, aan wie ze turfkaarten, bruine en witte bonen en meel uitdeelde. Liefdadigheid was een belangrijke sociale verplichting, en werd vooral door vrouwen gedragen.

Het laatste hoofdstuk gaat over de buitenplaatsen, waar men genoot van lange zomers: de oude elite vooral in Kennemerland, de nieuwe meer in de omgeving van Doorn en het Gooi. Ook hier weer veel verhalen, niet alleen over het goede leven, maar vooral over de verwevenheid van de machtige families van het toenmalige Amsterdam.

Vergeleken daarbij is de hedendaagse ‘grachtengordel’ maar een vaag en rommelig gezelschap.