Nergens echt thuis en toch geworteld

De eregast van Writers Unlimited schreef een grootse roman over een groepje vrienden van weleer op die hun Arabische geboorteland verlieten. Maalouf fileert de grote thema’s van deze tijd.

Wie in contact komt met geweld wordt daar hoe dan ook slechter van. Of je nu slaat of geslagen wordt – het werpt een smet op je leven. Dit citaat van filosofe Simone Weil koos de Frans-Libanese schrijver en essayist Amin Maalouf als motto voor De ontheemden, zijn grote, onlangs vertaalde roman. Een derde weg – onschuldig en ongedeerd door het leven struinen – is er niet, wil hij daarmee zeggen, vroeg of laat moet je kiezen.

Dat geldt zeker voor het clubje oude kameraden in deze roman over vriendschap, burgerschap, identiteit, trouw en verraad. Maalouf stelt daarbij niet alleen morele vragen, maar legt ook de vinger op de zere plek in de relatie tussen Europa en de Arabische wereld.

Het groepje vrienden is in de jaren zeventig over de hele wereld uitgewaaierd. Vijfentwintig jaar later maken ze zich op om elkaar terug te zien. Vroeger vormden ze een innige vriendenclub, de een was Joods, de ander christen, de volgende homoseksueel. Of ze nu uit een arme of een machtige clan kwamen, of ze wees waren of omringd door een grote familie – het maakte niet uit: ze deelden een ideaal: hun land veranderen.

Het liep anders: ‘Wij waren de ruwe schets van de toekomst, maar de toekomst is in dit eerste ontwerp blijven steken’. Ze zagen zich als ‘volgelingen van Voltaire, Camus, van Sartre, Nietzsche of van de surrealisten’, maar werden noodgedwongen weer ‘christenen, moslims of Joden’. Inmiddels zijn ze zakenman, oprichter van een denktank, monnik of islamist en wonen in Brazilië, Parijs, de VS of meer in een vliegtuig dan op aarde.

Les désorientés luidt de titel in het Frans: de hoofdpersonen zijn niet zozeer gedesoriënteerd in de zin dat ze verward of verdwaald zouden zijn, maar ze hebben bijna allemaal de ‘Oriënt’, hun Arabische geboorteland verlaten. Om welk land het gaat lezen we niet. Het zou elk door een burgeroorlog getroffen land kunnen zijn, al ligt Libanon, Maaloufs geboorteland, voor de hand.

De verteller Adam, een evident alter ego van de auteur, is een historicus die al jaren werkt aan een biografie van Attila de Hun, ‘het archetype van de emigrant’. Schrijven is voor Adam de enige manier om vat te krijgen op zijn leven en zijn tijd. Na een telefoontje over een van zijn vroegere vrienden die op sterven ligt, neemt hij, voor het eerst sinds hij zijn land verliet, het vliegtuig terug. De stervende is geen oude vriend, maar een vriend van vroeger, een vriend die hij nooit meer heeft willen zien. ‘Helemaal zeker of je iemand die sterft wel moet vergeven’ is Adam niet. Hij heeft vuile handen gemaakt, hij heeft bloed laten vloeien, is immens rijk geworden. Zelf is Adam ‘bij de eerste moordpartijen’ vertrokken, ‘het lafhartige voorrecht van de rechtschapen deserteur.’

Moreel mijnenveld

Zo trekt Maalouf je meteen zijn morele mijnenveld binnen. Net als hijzelf is Adam al snel na het uitbreken van de oorlog uit zijn geboorteland vertrokken. Hij kon niet leven in een land vol ‘machtsspelletjes, bevoorrechting, smeergeld en schaamteloze vriendjespolitiek’, een land met ‘een vaag soort democratie en zo nu en dan een periode van vrede’. Je kunt makkelijk over het verdwijnen van het verleden heen komen, schrijft hij in zijn dagboek, maar ‘wat je niet te boven komt is het verdwijnen van de toekomst’.

Zijn vertrek maakte van hem voorgoed een vreemde; hij voelt zich overal ‘een gast’. Ook nu hij terug is in zijn geboorteland, is hij zijn kompas kwijt: hij is onzeker, weet niet meer hoe je er met een ander omgaat. Hoe je je gedraagt in dagen van rouw in het huis van een vriend, hoeveel mensen er rond een machtige weduwe staan te dringen – hij is het vergeten.

Maar ook degenen die bleven, worstelen met hun geboorteland. Adams jeugdvriend Ramez bijvoorbeeld, die fortuin heeft gemaakt met zijn bouwbedrijf, lijdt iedere dag onder het beeld dat Europeanen van de gemiddelde Arabier hebben, in hun ogen is hij ‘een rijk geworden barbaar’. Hij behoort tot ‘een verslagen beschaving’. Op wie zijn taal spreekt en zijn religie aanhangt wordt altijd neergekeken.

Zo snijdt Maalouf aan de hand van zijn personages de grote thema’s aan uit zijn beroemde essays De ontregeling van de wereld en Moorddadige identiteiten. Het postkoloniale Westen met zijn degeneratie van het kapitalisme en zijn financiële excessen verwijt hij gebrek aan moreel bewustzijn. De Arabisch-islamitische landen zijn vol wrok tegen de wereld en tegen zichzelf, en zinken steeds dieper in een ‘historische put’. Hij ziet slechts dictatoriale Arabische regimes, barbaarsheid, intolerantie en obscurantisme.

In een van de mails aan zijn Joodse, naar de VS geëmigreerde vriend Naïm stelt Adam vast dat het Palestijns-Israëlische conflict de oorzaak is van het cruciale Arabische trauma. Keer op keer werden de Arabieren door Joodse immigranten verslagen, totale ontwrichting van de moslimwereld was het resultaat, ‘niet alleen in politiek maar ook in psychologisch opzicht’. Wie openlijk vernederd wordt, draagt daar de sporen van. Het conflict maakt verzoening tussen ‘het Westen en de islam’ onmogelijk, het zadelt de mensheid op met een ‘verkrampte identiteit’ en ‘religieus fanatisme’.

Perverse gevolgen

De gewelddadige religieuze facties, de oorlog en de perverse gevolgen van de al te gemakkelijke oliewinning zijn onderwerpen die Adam stuk voor stuk aan de orde stelt. Maar ook het gebrek aan burgerschap en de onderdrukte positie van de vrouw komen voorbij in de ‘eindeloze dialoog’ die Adam voert met zijn vrienden, maar vooral ook met zichzelf.

Adam is, net als zijn bedenker, een rationele, genuanceerde denker van het midden, een bruggenbouwer. Hij neemt het initiatief om al zijn oude vrienden samen te brengen, of ze nu een baardige islamist van de harde lijn zijn geworden of lid van een Amerikaanse denktank. Hij verdiept zich in ieders achtergrond, begrijpt de een, maar ook de ander. Ook sociaal gezien behoort hij tot ‘de middenpositie’, hij heeft niet de kortzichtigheid van de welgestelden’ noch ‘de verblinding van de hongerlijders’. Hij kan het zich permitteren ‘met heldere blik’ naar de wereld te kijken. Precies dat wordt Adam het hardst verweten, want: aan wiens kant staat hij eigenlijk? ‘Als je moet kiezen tussen de aanvaller en de aangevallene, tussen het roofdier en zijn prooi, tussen de moordenaars en hun slachtoffers, dan blijf jij neutraal’, krijgt hij naar zijn hoofd, ‘is dat objectiviteit? Is dat voor jou intellectuele integriteit?’

Het lijkt op Maaloufs eigen situatie: eigenlijk nergens thuis en toch geworteld, deels in de Arabische én deels in de Westerse wereld. Maalouf kiest geen partij, hij vlamt niet voor de een of voor de ander, hij doceert, hij analyseert, hij essayeert. Dat doet hij ook in deze grote, persoonlijke roman, waarin hij voor het eerst, heel voorzichtig, zijn eigen wonden laat zien.