Neppie, lul en een vinger

Ik leef nog. Dat is de eerste, tussentijdse conclusie die ik na zo’n vijftien wedstrijden als scheidsrechter kan trekken. Zelf had ik ook eigenlijk niet anders verwacht, maar voor meerdere mensen in mijn naaste omgeving is het een hele opluchting.

Zo’n vierhonderd min of meer volwassen mannen hebben mijn gezag de afgelopen voetbalmaanden min of meer geaccepteerd. Geen van hen heeft de aandrang gevoeld om mij een kopstoot te geven of in elkaar te slaan, of in elk geval is het nooit verder dan de aandrang gekomen.

Eén keer werd ik „lul” genoemd. Na een aangeschoten handsbal waar ik geen penalty voor gaf, flapte een misnoegde spits het eruit en ik denk dat het merendeel van de scheidsrechters direct rood zou hebben gegeven. Volkomen terecht natuurlijk, maar ik leefde weer eens te veel met de impulsieve dader mee en toonde hem slechts een van mijn zeldzame gele kaarten. Na de wedstrijd kwam de spits uitgebreid zijn excuses aanbieden, wat mij met terugwerkende kracht sterkte in mijn eerder genomen beslissing hem te sparen.

Bij een ander noemenswaardig verbaal geweldsincidentje hield ik de kaarten zelfs helemaal op zak. Tijdens een van mijn allereerste wedstrijden gaf ik een hoekschop waar een verdediger zeker wist dat het een achterbal was. Nadat hij mij zonder succes van zijn gelijk had proberen te overtuigen, werd ik hoofdschuddend voor „neppie” uitgemaakt. Het was als aantijging bedoeld – dat begreep ik ook wel – maar werd ik ook daadwerkelijk uitgescholden? Terwijl de corner al genomen werd, zat ik me nog te verwonderen over die interessante vorm van taalvernieuwing op het voetbalveld.

Het derde en laatste geval was de gedragsspecialist die mij begin november na afloop van de wedstrijd een „kutscheidsrechtertje” noemde en daarna zijn middelvinger naar me opstak. Dat ik ook hem onbestraft z’n gang liet gaan, is de grootste blunder die ik in mijn prille carrière heb begaan.

Eén keer lul, één keer neppie, één keer kutscheidsrechtertje en één middelvinger. Een vrij magere oogst voor een beginnende scheids, dus lijkt een logische tweede, tussentijdse conclusie dat het tot nu toe allemaal reuze meevalt met de agressie op het voetbalveld. Toch weet ik dat niet zo zeker.

Echt geweld heb ik nog niet meegemaakt, maar een wedstrijd waarin ik minder dan twintig keer op vrij onaangename toon te horen kreeg dat ik er met mijn beslissing naast zat net zo min. In een klein halfjaar tijd heb ik meer kritiek te verduren gekregen dan in een heel leven daarvoor. Als scheidsrechter kan ik er best tegen – dat moet ook wel – maar toch zou het wel wat hebben om eens één keer een wedstrijd te leiden waarin de spelers, hun coaches en de supporters al mijn beslissingen zonder gemor accepteren. De dag dat dat gebeurt, trakteer ik iedereen na afloop op een biertje.