Het hoofd zoemt en fantasiezakjes schudden van het bedenken

Schrijver Harm de Jonge woont in de Bevervallei – een ongoogelbaar stukje Groningen, dat volgens boekhouders heus anders heet. Triviaal is dat feitje niet: als schrijver is De Jonge ook steeds bezig de zaken fantaserend te verrijken. Zijn verhaal speelt zich bovendien af in een nostalgische wereld, waar het enige venster naar de buitenwereld een raam is. ‘Wat niet gebeurt kun je wel bedenken,’ laat hij de hoofdpersoon van Jonas en de visjes van Kees Poon mompelen. ‘Dan bestaat het alleen in je hoofd, maar lijkt het toch net echt.’

Dat is wat boodschapperig, zo aan het begin van een queeste naar de viskraam, die inderdaad doldwaas gekleurd zal worden door Jonas’ verbeelding. Zoals De Jonge schrijft: ‘Zijn hoofd zoemt en de fantasiezakjes schudden van het bedenken.’

Door de grijze gracht zwemmen ineens een krokodil en een koningin, en ook de tocht langs de groenteboer, kapper, pianojuf, enzovoorts, is beschreven als een Alice in Wonderland-trip, vol Kees de jongen-achtige dromerij.

Dat zit ’m niet alleen in de onstuimige bedenksels, maar vooral in de zinnen van De Jonge, die zeldzaam sprankelend zijn, vol bruis en schuim. ‘In zijn nek knarsen roestig een paar wervels,’ noteert Jonas over een zwaarmoedig schrijver, en de visboer beziet hij al even onvergetelijk: ‘Zijn snor hangt als een nat keukendoekje over zijn lip’. Dankzij illustrator Martijn van der Linden krijgen we dat ook nog te zien: het is alsof Salvador Dalí zich over een Amsterdams grachtje heeft ontfermd.

De Jonge houdt zijn stilistische brille constant vol, zodat de taal de echte attractie is – die daarmee de feelgood-boodschap krachtig en onweerstaanbaar onderstreept. De nostalgicus die De Jonge lang was, heeft nieuw, fantastisch elan gekregen. Voor zijn Kinderboekenweekgeschenk, dat dit najaar zal verschijnen, belooft dat veel goeds.