Het beloofde land laat de vluchtelingen dobberen

De regering schuwt weinig middelen om asielzoekers te weren.

Starend naar de golven herleeft Naqsh Murtaza de dag dat hij zijn droom zag verdampen. „Na drie rustige dagen op zee, kreeg ons schip motorproblemen. We waren bij Christmas Island, maar de Australische kustwacht liet ons schip spartelen en wachtte ruim tien uur totdat de Indonesiërs kwamen om ons terug te brengen naar Java”, vertelt de 27-jarige Afghaan in Pelabuhan Ratu, een Javaans havenstadje dat gebruikt wordt door mensensmokkelaars.

Naqsh lijkt niet op een bootvluchteling. Onder zijn schone blauwe T-shirt schuilt een rond buikje en hij heeft een keurig getrimd baardje. Moeiteloos citeert hij uit de internationale verdragen die hem bescherming bieden, in theorie. Op zijn Facebook-pagina staan foto’s van hem in grote auto’s. Hij komt duidelijk uit een familie die ooit vermogend was.

Naqsh zwerft over Java. Soms kan hij een paar weken bij een barmhartig gezin blijven. Hij werkt dan aan zijn boek, een geschiedenis van zijn volk, en grilt op de barbecue Hazara-kebabs. Dan is hij opgetogen en zegt dat hij president van Afghanistan wordt.

Soms heeft Naqsh geen onderdak. Dan slaapt hij een paar uur in de moskee, tussen Isha'a en Fajr, het laatste avond- en het eerste ochtendgebed. Als ik hem op een lunch trakteer, stort hij zich op de gegrilde vis en reuzengarnalen. Later heeft hij buikpijn. Hij zegt veertig kilo te zijn afgevallen.

Australië was het beloofde land. Daar zou hij veilig zijn. Naqsh is een Hazara, een shi’itische minderheid uit het midden van Afghanistan. Met zijn ronde gezicht en lichtbruine huid lijkt hij meer op een Indonesiër dan op een Afghaan. Vorig jaar werd zijn vader langs de weg doodgeschoten. Dat was de druppel. „De Talibaan hadden het op ons gemunt”, zegt hij.

Hij liet zijn moeder en broertjes achter en besloot een paar duizend dollar aan een smokkelaar te betalen. Hij vloog via Dubai naar Kuala Lumpur. Met een speedboot en een bus reisde hij van Maleisië naar de heuvels van de Puncak, waar straatstalletjes bijverdienen door zwemvesten te verkopen aan bootvluchtelingen.

Na een poos op een onderduikadres rond Bogor was het tijd. Samen met andere vluchtelingen stapte Naqsh op een vissersboot die nooit de plek van bestemming zou bereiken.

Naqsh vindt het Australische beleid inhumaan. Een boot in de problemen laat je niet dobberen. „Ik vraag alleen aan Australië en al die andere landen die oorlog in mijn land maken dat ze een van twee dingen doen: zorg voor vrede in Afghanistan of accepteer mij als asielzoeker”, zegt Naqsh. Hij schreef meer dan tien brieven aan westerse ambassades in Jakarta. Hij kreeg alleen van de Noren antwoord. Dank u voor uw brief, maar u moet zich bij de VN-vluchtelingenorganisatie melden, luidde de reactie.

Als Naqsh Christmas Island had bereikt, zou hij geen vrij man zijn geweest. Dat ervoer Ebrahim, een Iraniër uit Ahvaz. Die vluchtte omdat hij naar eigen zeggen voor een hongerloontje in een fabriek werkte. Hij wilde „een vrij man en geen slaaf” zijn. Ebrahim legde een vergelijkbaar traject af, maar zijn boot haalde het Australische eilandje wel.

Papoea-Nieuw-Guinea

Hij was nog niet aangekomen op Christmas Island of hij werd op een vliegtuig gezet, naar Manus Island, een detentiekamp op Papoea-Nieuw-Guinea. Daar zit Ebrahim vast. Om de twee dagen mag hij op internet.

Via Facebook zoekt Ebrahim contact met mij. Ik kwam hem tegen op zijn onderduikadres in Bogor. Toen was hij schuw en bang. Waar zijn reisgenoten mijn Indonesische tolk en mij probeerden te intimideren („We don’t talk, we fight” en „We are not illegals. We are here for wet Javanese pussy”), was Ebrahim schuw en haast breekbaar. Geen getatoeëerde bullebak, maar een ranke en knappe twintiger met scherpe groene ogen onder dikke wenkbrauwen. Hij ontdooide pas na een vraag over zijn kruisje om zijn nek. Ja, ik ben christen, zei hij.

De wanhoop en shock straalt van zijn korte berichtjes in krom Engels. „Hi! I’m in Manus Island”, schrijft hij. „The Australia gov send people to here. Just in two days they bringing about 80 person to manus island. They are lebnese, iranan and bangaladsh”. Over de toestand in de detentiecentra schrijft Ebrahim: „In christmas island i know people stop eating food. i know some of them here in manus island.

Achter iedere migratiegolf zit een verhaal, waar vaak oorlog, conflict of dictator in figureert. En ieder verhaal begint met de wens een nieuwe start te maken en veilig te zijn. Rijd door Australië en je ziet hoe vroegere oorlogen immigratiegolven voortbrachten. Zanderige weggetjes in de uitgestrekte landbouwgebieden van Queensland zijn vernoemd naar de eerste eigenaren van de boerderijen: Johannson Road, Van der Steen Way. Sydney kent Libanese en Vietnamese gemeenschappen. Toch zullen Naqsh en Ebrahim nooit de zeelucht in de baai van Sydney ruiken en het langgerekte strand zien van Bondi, het hedonistische hoogtepunt van Australië.

Naqsh vertelt dat hij niet meer weet hoe het verder moet. Een asielprocedure via de VN kan vijf jaar duren. Vijf jaar zwerven zonder zijn familie, vijf jaar niet kunnen werken aan zijn toekomst. Soms overweegt hij terug te gaan naar Afghanistan. „Het is beter in een keer thuis te sterven dan iedere dag hier in onzekerheid te leven en gevaar te lopen”, zegt hij.

Ebrahim reageert niet meer op berichtjes. Misschien begrijpt hij dat een Nederlandse journalist weinig voor hem kan doen. Hun reis liep anders, maar Ebrahim en Naqsh hebben gemeen dat zij twee van de ruim 50.000 vluchtelingen zijn die de laatste vijf jaar per boot naar Australië probeerden te vluchten. Als het aan de Australische premier Tony Abbott ligt, zijn degenen die Ebrahim en Naqsh volgen straks niet eens meer een getal maar een geheim.