Help, de rechter stikt!

Een jaar geleden tekenden honderden rechters een manifest, uit onvrede over de werkdruk. Velen overwegen de rechtbanken de rug toe te keren. Hoe komt dat? Bericht uit de praktijk van raadsheer Menno Zandbergen.

Mijn eerste stappen als strafrechter zette ik aan de hand van een oude meester bij wie de wijsheid als haren uit zijn neus leek te groeien. Kort voor mijn eerste zitting zei hij tegen me: „Let op, verdachten zijn net koeien. Als ze zenuwachtig zijn, gaan hun oren naar achteren staan en trillen hun poten.”

Na afloop vroeg hij of ik daar iets aan had gehad. Ik antwoordde dat ik de enige was geweest die had zitten trillen en dat ik hoopte dat de verdachten het niet hadden gemerkt. Hij glimlachte en zei: „Mooi, blijven twijfelen.”

Het klonk vreemd uit de mond van iemand die van veroordelen zijn vak had gemaakt, maar het was een goede les: rechters zijn voortdurend op zoek naar een wereld die ze niet kunnen betreden. Ze graven de botjes op die de geschiedenis heeft uitgespuugd en moeten dan maar zien wat ze ervan kunnen maken.

Dat voelt ongemakkelijk, dus is het verleidelijk te zoeken naar een lakmoesproef die laat zien of iemand de waarheid spreekt. De wetenschapper Lombroso wees ons bijvoorbeeld op het leugenachtige karakter van lelijke mensen. Een kleine eeuw later, toen de halve wereld aan het ‘neurolinguïstisch programmeren’ was geslagen, zijn we ervan overtuigd geraakt dat onze ogen bij elke onwaarheid naar rechts draaien. Allemaal onzin, weten we nu.

Of iemand liegt, is niet te zien. Professionals kunnen dat evenmin, ook die zitten er vaak naast. Dus zoeken we door en nemen we onze toevlucht tot de techniek. Maar ook daarmee vinden we de steen der wijzen niet. Zelfs in de Verenigde Staten, waar zo langzamerhand geen enkel geheim meer veilig is voor de vraatzucht van techniek, worden leugendetectors nog steeds uit de rechtszaal geweerd.

Valse bekentenis

Als de wetenschap ons iets kan leren, dan is het wel dat we kritisch moeten blijven omgaan met alles wat ons wordt verteld. In strafzaken begint dat met de verdachte zelf, ook als hij bekent. In het klassieke onderzoek op dat gebied is het gelukt met psychische en sociale druk een complete groep studenten overtredingen te laten bekennen die ze niet hadden begaan. Latere onderzoeken nuanceren die uitkomst een beetje, maar dat je met de nodige trucs één op de twee mensen tot een valse bekentenis kunt bewegen, is inmiddels bij herhaling aangetoond. Om een indruk te geven van het belang van dit soort inzichten: zo’n vijfenzestig mensen van wie door DNA-onderzoek bekend is geworden dat ze de afgelopen paar jaar in de VS ten onrechte zijn veroordeeld, zaten door hun eigen schuldigverklaring in de dodencel.

Verdachten hebben dan nog het voordeel dat ze straffeloos kunnen liegen, ook als ze geen bekentenissen afleggen. Een beëdigde getuige pleegt een misdrijf als hij dat doet. Je zou denken dat je daar enige zekerheid aan kunt ontlenen, maar ook dat valt tegen. Onder rechters wordt weleens gezegd dat nergens zo vaak wordt gelogen als onder ede. Helemaal ongefundeerd is dat grapje niet – en dan nog: als geen meineed wordt gepleegd, betekent dat niet dat de waarheid is gesproken. Zo verklaarden de meeste deelnemers aan een proef die in ons eigen land is uitgevoerd dat zij de beelden van het vliegtuigongeluk in de Bijlmer op televisie hadden gezien, terwijl dat nooit op video is vastgelegd. Hun verklaringen waren tegelijk oprecht en onwaar.

Geen mens is vrij van de behoefte aan houvast, zelfs als hij dit allemaal weet. Daarom blijven we geneigd mooie mensen op hun blauwe ogen te geloven; daarom wantrouwen we mensen die ons niet aankijken. Dat is misschien wel het grootste probleem: de weeffouten die we van anderen kennen, zitten ook in onszelf, in de onbedwingbare neiging dingen overzichtelijk en kloppend te maken. Bij de eerste kennismaking kan dat al fout gaan – om precies te zijn na een tiende seconde. Dat is de tijd die we schijnen te gebruiken voor onze eerste indruk over iemands betrouwbaarheid, zijn vriendelijkheid, zijn agressiviteit. Dat soort impressies blijft daarna aan ons kleven als kauwgom aan een schoenzool.

Rechters weten dat ze niet in deze valkuilen moeten stappen. De gulden regel is dat ze in geval van twijfel van een veroordeling afzien. In de mist van onzekerheden waarin ze hun weg moeten zoeken, lijkt dat al snel een voor de hand liggende keuze. Toch volgt meestal een veroordeling. Goed beschouwd wordt dat ook van hen verwacht.

Rechters kunnen alleen aan die verwachting voldoen als ze samen met de politie en het Openbaar Ministerie de tijd en de middelen hebben alle beschikbare botten te verzamelen en te bestuderen; het kan alleen als de advocatuur bij machte is dat hele proces kritisch te volgen. Dat verdraagt zich slecht met bezuinigen op het opsporingsapparaat en de gesubsidieerde rechtshulp, met de roep om snelrecht en de neiging rechtbanken om te toveren tot beslisfabrieken. Door dergelijke ontwikkelingen dreigt dat hele bouwwerk weg te zakken in de blubber van eerste indrukken, trillende broekspijpen en wegkijkende verdachten. Dat is het grote ongemak van veel rechters in ons land.

Het dilemma waar zij steeds opnieuw mee worden geconfronteerd, bij elke verdachte die ze in de ogen kijken, is door Socrates samengevat in de zin: ‘Ik weet dat ik niets weet.’ Mijn leermeester zei het zo: „Alleen gekken weten alles zeker. Geen twijfel mogelijk.” Net als Socrates had hij een leven van bezinning en relativering achter de rug. Voor goede rechtspraak is dat onontbeerlijk, het is zoiets als ademhalen. Wanneer nu zo veel rechters twijfelen aan hun professionele toekomst, dan is het omdat ze geen lucht meer krijgen.