Fischer werpt nieuw licht op Beethoven

Wie heeft bedacht dat de houtblazers in een symfonieorkest altijd netjes op een rij moeten zitten? Iván Fischer is bij uitstek de dirigent die dergelijke vragen stelt, onder meer in zijn Beethoven-cyclus bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Dus leek het gisteren tijdens de Zesde symfonie ‘Pastorale’ alsof het orkest in een stoelendans was blijven hangen.

De solofluit, -hobo en -klarinet zaten vooraan tussen de violen, de fagot nestelde in de cellogroep. Zo wierp Fischer nieuw licht op overbekende muziek. Celli en fagot grepen vloeiend in elkaar, andere soloblazers waren als vogeltjes verspreid in het struikgewas. Piccolo en trombone vormden één front in de ‘Donner-Sturm’, die als geheel overigens wat tam bleef.

Timing en klankbalans waren nauwkeuriger in de wél traditioneel opgestelde Zevende. Hier bereikte Fischer een roes die in de Zesde ontbrak. Wellicht wilde hij krachten sparen voor de finale van de Zevende: dit is Beethoven op zijn wildst, zoals het schuimende orkest in hoog tempo aantoonde.

Fischer streeft naar een transparante Beethoven, helder als een beek waarvan je de bodem kunt zien. Met succes. In het Allegretto van de Zevende spinden de violen een zilveren klank, die nauwelijks van een darmsnarig barokorkest was te onderscheiden.