Fiets

De fiets van T was gestolen. Omdat ik nog vele ritjes naast hem hoop te fietsen, bemoeide ik me ongegeneerd met de aanschaf van een nieuw exemplaar. Ik blijk hier dwingende meningen op na te houden.

1. Kopen van een junk doe je niet, puur uit Amsterdamse solidariteit. Je wil niet dat jouw fiets wordt gestolen, dus ga je ook niet op iemand anders gestolen fiets rijden. Onlangs hoorde ik dat het tegenwoordig heel normaal is om een professionele fietsendief te bellen en je bestelling door te geven alsof het een afhaalchinees betreft („ja hoi, ik wil graag een omafiets met terugtraprem en een mandje voorop”). Even later vindt dan de overdracht ergens in de stad plaats. Ik stel me dan een obscure plek in Geuzenveld voor, maar waarschijnlijk levert hij ook gewoon op de Apollolaan. Zo’n fiets kost dan twintig euro. Toegegeven, dat is een koopje. Toch kan ik mensen die daar gebruik van maken alleen maar toewensen dat hun gestolen fiets ook weer wordt gejat, bij voorkeur wanneer ze net een beetje te laat de deur uit gaan op weg naar een belangrijke sollicitatie of naar een bruiloft waarop ze getuige zijn.

2. Gestolen waar is uit den boze, maar een spiksplinternieuwe fiets net zo goed. In Amsterdam blijft de kans nou eenmaal groot dat je fiets gestolen wordt, helemaal als je, net als ik, soms per ongeluk je fietssleutel in je fiets laat zitten omdat je bijvoorbeeld du moment dat je hem op slot wilde zetten, afgeleid werd door twee parende duiven. Ik vind een tweedehandsje, met een beetje roest op het frame bovendien stoerder. Ik zie steeds meer mensen van mijn generatie op veel te mooie en te dure nieuwe fietsen rijden. Ergens herken ik het wel– ik denk ook wel eens dat ik enorm volwassen ben omdat ik niet langer H&M-kleren draag en nu Nespressokoffie drink, maar het fietsequivalent daarvan, de Vanmoof-fiets, is weliswaar volwassen, en een prachtig, in eenvoud en stijl uitblinkend Nederlands exportproduct – maar als je daar in Amsterdam op fietst, identificeer je je naar mijn idee toch meer met jongens uit het Gooi en te geslaagde ondernemers.

3. (voor T niet relevant, maar ik noem hem toch even, voor de volledigheid): de bakfiets is alleen toegestaan voor gezinnen met meer dan drie kinderen. Een van de hoofdredenen waarom ik ooit nóg een kind zou willen is dat één voorop, één achterop me juist het toppunt van gezelligheid, vrijheid en autonomie lijkt. Met een bakfiets lijk je een slaaf van je eigen kinderen. Dat ben je in de praktijk ook, maar dat hoef je dan nog niet uit te dragen. Niet hier in Amsterdam tenminste.

Kortom: wat mij betreft ziet de perfecte fiets er zo uit. Voor dames: een degelijke, tweedehands omafiets (in elk geval géén mountainbike of racefiets, want die bedrading bij je stuur gaat in Amsterdamse fietsenrekken sowieso kapot), liefst eentje die in zijn vorige leven in de fietsverhuur van een Landal Greenparks-resort vooral tochtjes van en naar de midgetgolfbaan heeft gemaakt. Die kan je dan zelf eventueel in een mooie kleur verven (vergemakkelijkt het terugvinden, schrikt dieven af en maakt hem persoonlijk). Voor heren: niets sexiers dan een echte herenfiets, met een stang waar je als meisje schrijlings op kunt plaatsnemen (en dan ’s nachts over de Jan Schaeferbrug zoeven!).

T liet zich na dit relaas gewillig meevoeren naar mijn favoriete fietsverkoper waar zo mooi ‘occasions’ op de etalage staat. Opgewekt fietste hij even later weg op een mooie, rode, tweedehands herenfiets. Ik fietste gauw achter hem aan.

xxxx