Eeuwig verlangen naar verlossing

Historicus Frits Boterman beschrijft in zijn magnum opus hoe in twee eeuwen Duitse ideeëngeschiedenis de moeizame relatie tussen de dragers van de hoge cultuur en de politiek kon ontaarden in Hitlers Götterdämmerung.

‘Ja Duitsland – gisteren hoorde ik Mozarts Entführung aus dem Serail over de radio. En plotseling scheen mij dat zogenaamde werkelijke en tegenwoordige Duitsland een kwaadaardig en krankzinnig spook.’ Aldus de Joods-Duitse politiek denker Hannah Arendt in oktober 1950 aan haar leermeester, de filosoof Karl Jaspers. Een jaar later zou Arendt, die na de machtsgreep van Hitler in exil was gegaan, haar grote studie over de oorsprong en aard van het totalitarisme, van nationaal-socialisme en communisme, voltooien. Toch werd zij nog overvallen door het raadsel hoe een hoogontwikkelde samenleving als de Duitse had kunnen vervallen tot de gruwelijkste barbarij. Mozart en Hitler als vertegenwoordigers van een en dezelfde Duitse cultuur? Had de cultivering van rede en gevoel langs de weg van wetenschap en kunst de Duitsers dan niet tot betere mensen gemaakt?

Hoe kon een volk van Dichter und Denker er een worden van Richter und Henker, van rechters en beulen? Deze ‘Duitse kwestie’ vormt het uitgangspunt voor de kolossale studie die historicus Frits Boterman bij gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar moderne Duitse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam het licht heeft doen zien. Cultuur als macht. Cultuurgeschiedenis van Duitsland 1800-heden is voor de auteur ‘het Duitse probleem revisited’. In 1992 promoveerde hij op een dissertatie over Oswald Spengler, de Duitse cultuurfilosoof die zijn onheilsvisioenen uit Der Untergang des Abendlandes (1918/1922) omzette in politiek activisme voor een ‘conservatieve revolutie’ waarin de hoop gevestigd was op de nietsontziende machtsuitoefening van Tatsachenmenschen.

Ditmaal beschrijft Boterman twee eeuwen Duitse ideeëngeschiedenis, of preciezer, de relatie tussen Geist en Macht, tussen de dragers van de hoge cultuur – filosofie, literatuur, kunst en muziek – en de politiek. Centraal in Botermans boek staat het Bildungsbürgertum, die paar procent van de Duitsers die het gymnasium had doorlopen, al dan niet gevolgd door een academische opleiding. Deze intellectuele elite drukte vanaf de vroege negentiende eeuw een zwaar stempel op het openbare debat in Duitsland. Boterman behandelt hun ideeën, attitudes en erfenis uitdrukkelijk in de context van de elkaar snel afwisselende cultuurhistorische periodes en politieke regimes vanaf de napoleontische overheersing: de Romantiek, de revolutie van 1848 en 1849, de gisting van het Fin de siècle en de schok van de Eerste Wereldoorlog, de Republiek van Weimar, het Derde Rijk, Stunde Null, de Bondsrepubliek en de DDR, en het herenigde Duitsland.

Het goede en het ware

‘De gedachte gaat aan de daad vooraf, zoals de bliksem aan de donder’, schreef Heinrich Heine halverwege de negentiende eeuw over zijn geboorteland. Boterman lijkt die stelling te onderschrijven door zijn exposé te beginnen met de culturele revolutie van Sturm und Drang, filosofisch idealisme en Romantiek. Gevoel, authenticiteit, verbeelding en subjectivisme zijn enkele van de termen waarmee deze diepgravende omslag tussen 1770 en 1830 wordt omschreven. Kant, Schiller, Goethe, Hegel en anderen schiepen een ideële sfeer waarin het goede, het schone en het ware zouden samenvallen. Althans dat was het streven: de wereld kende geen orde, maar was in wording. De nieuwe gevoeligheid was tegelijk een aanvulling en een reactie op de Verlichting. De burgerij onderscheidde zich er ook mee van de verfranste aristocratie.

Tijdens en na de napoleontische bezetting gebeurde er iets bijzonders. Het staatkundig verbrokkelde en geografisch slecht afgebakende Duitsland definieerde zichzelf onder aanvoering van de gebildete elite als een cultuurnatie die zich in aard en karakter onderscheidde van de staatsnaties Frankrijk en Engeland. Heette het dat in die landen de Zivilisation domineerde, het Duitse Wesen werd gekenmerkt door Kultur: tegenover het westerse rationalisme en materialisme en een oppervlakkige fixatie op nut, stelde het diepzinnigheid, humaniteit, vrijheid en idealisme. Het resulteerde, zo legt Boterman uit, in een verwrongen relatie met ‘de moderniteit’, dat amalgaam van bureaucratisering, secularisering, individualisering, industrialisering, verstedelijking en techniek.

Terwijl Duitsland – tot ver in de twintigste eeuw toonaangevend in zowel de geestes- als de natuurwetenschappen en vanaf het einde van de negentiende eeuw een industriële kolos – nauwelijks minder bijdroeg aan de totstandkoming van deze brave new world, stelden de Duitse cultuurdragers zich feller dan hun West-Europese peers teweer tegen de dynamiek van een moderniteit die volgens hen tot Entzauberung, ‘onttovering’, van het bestaan had geleid. Ze analyseerden hun onbehagen in termen van vervreemding en ontheemding. En die moesten worden overwonnen, door krachtige leiders bijvoorbeeld die als verlossers werden vereerd.

Dat had de nodige consequenties. Terwijl het romantisch subjectivisme voor de kunsten een fantastische bevrijding inhield, was het voor de politiek een regelrechte ramp. Klassiek is de these van de unpolitische Deutsche. Thomas Mann levert het prototype. De auteur belichaamde naar eigen zeggen deze onpolitieke burger die zich afzijdig van de politiek wijdde aan hogere zaken: literatuur, kunst, muziek, aan Innerlichkeit kortom. Mann zou zichzelf hierom na 1945 genadeloos bekritiseren. De Duitse Kulturreligion had een abstract en mystiek intellect opgeleverd, dat afkerig was van compromis. Stortte de Duitser zich in het politieke debat, dan ging het al gauw helemaal mis: ‘De Duitser, als politicus’, schreef Mann, ‘meent zich zo te moeten gedragen dat de mensheid horen en zien vergaat – precies dat is voor hem politiek. Zij is voor hem het kwaad – en daarom denkt hij om harentwil een echte duivel te moeten worden.’

Vergoeilijking

Ook Boterman zet het beeld van de unpolitische Deutsche in dit perspectief van afzijdigheid én engagement. Zeker in periodes van heftig ideologisch conflict, zoals in de decennia omstreeks 1800 of tijdens de Republiek van Weimar en het Derde Rijk stortte de gebildete elite zich in een intens politiek engagement gebaseerd op dezelfde idealen van Kultur. Of zoals Mann schreef: ‘Klonk het niet als een afschuwelijke vergoelijking, dan zou men willen zeggen dat de Duitsers hun misdaden uit wereldvreemd idealisme hadden begaan.’

Pas in de Bondrepubliek ontstond er een nuchterder kijk op het politieke bedrijf, een waarin politiek gezien werd als het gevolg van de onvermijdelijke botsing van tegengestelde belangen, als een permanente strijd om de macht, of juist als een poging macht door recht en wet te beteugelen. Tot die tijd heerste er in Duitsland bovenal verwarring over de verhouding tussen Geist en Macht, een ideële gisting waarin politiek, kunst en religie verknoopt raakten, kunstenaars als profeten werden beschouwd en politieke ideologieën tot nieuwe religies uitgroeiden, alles om de onttoverde wereld weer met nieuwe mythologie te bezielen. Er moest een wereldbeschouwing verwezenlijkt worden, liefst zo zuiver mogelijk. Gesinnung prevaleerde boven verantwoordelijkheid. Of zoals Boterman uitlegt: voortdurend neigde men er in Duitsland toe voor politieke problemen een culturele oplossing te zoeken.

Hoe de paradoxen van de Duitse geschiedenis individuele carrières konden stempelen wordt goed zichtbaar in het lot van Walther Rathenau (1867-1922), een van de kopstukken van de Duitse industrie – hij was de zoon van de oprichter van de Allgemeine Elektricitäts-Gesellschaft (AEG) – maar ook een dandy, kunstliefhebber en politicus. En filosoof, al beschouwde hij zich in deze hoedanigheid vooral als ziener en profeet.

Eén jaar voor de Eerste Wereldoorlog, waarin hij zijn patriottisme en organisatorisch talent zou bewijzen op het uiterst belangrijke terrein van de grondstoffenvoorziening, drukte hij zijn verlangen naar nieuwe bezieling als volgt uit: ‘Waar zijn de wonderen? Waar de geheimen? De natuur is van haar goddelijkheid ontdaan, God zelf is ontmaskerd, de machten zijn vervlogen?’ Niet veel later zou Rathenau, afkomstig uit een familie van geassimileerde Duitse Joden, zijn hoop vestigen op de komst van een heerserselite van blonde grossgewachsen Germanen. In 1922, kort na zijn aantreden als minister van Buitenlandse Zaken, werd hij door leden van een extreem nationalistische en antisemitische organisatie vermoord. Het was te wrang om ironie te kunnen zijn.

Moorddadig surrealisme

Tijdens de Republiek van Weimar ging de wens naar verlossing van links tot rechts naar een hysterisch hoogtepunt om te eindigen in het moorddadig surrealisme van het Derde Rijk. Boterman laat knap zien dat, hoewel 1933 een diepe politieke cesuur in de Duitse geschiedenis vormde, de nationaal-socialistische staat – ‘het Gesamtkunstwerk van de politieke kunstenaar Hitler’ – cultureel, ideologisch, artistiek en wetenschappelijk nauw verweven was met het Duitse verleden. Hij is niet de eerste die spreekt van een ‘faustiaans pact’: de Duitsers verkochten hun ziel in ruil voor de droom van almacht.

Cultuur als macht biedt een haast encyclopedisch overzicht van de moeizame verhouding tussen macht en intellect in Duitsland. Zonder zaken te versimpelen introduceert Boterman de lezer in de sterk afwijkende, volstrekt vreemd geworden Duitse denkwereld. Zo worden we door talloze debatten geleid, die inderdaad met een ongekende heftigheid werden gevoerd. Maar er stond dan ook vaak echt iets op het spel, ook in de Bondsrepubliek, waar in een sfeer van schuld en boete de hele Duitse geschiedenis, en dus ook de intellectuele traditie, tegen het licht werd gehouden. Ook hier kregen de discussies specifiek Duitse trekken, al was het maar omdat de slagschaduw van nationaal-socialisme en Tweede Wereldoorlog er nog groter en donkerder was dan elders in Europa. Bovendien kwam het land opnieuw de frontlinie van een Weltanschauungskrieg te liggen: de Koude Oorlog tussen kapitalisme en pluriforme democratie van het Westen en het communisme van het Oostblok. Zowel in de Bondsrepubliek als in de DDR bleef de verhouding tussen intellect en macht problematisch, al waren de oude gewoontes in Oost-Duitsland hardnekkiger. Voor het Westen onderscheidt Boterman de reacties van de verschillende generaties. Het zegt veel over de overdonderende sequentie van de Duitse geschiedenis in de vorige eeuw dat voor een goed begrip van de Vergangenheitsbewältigung na 1945 verschil moet worden gemaakt tussen een reeks generaties met ieder eigen constituerende ervaringen, zoals de Wilhelminische generatie (met nog levende herinnering aan het in 1918 ter ziele gegane keizerrijk), de Flakhelfer-generatie (die assisteerde bij het luchtafweergeschut en geboren was tussen 1926 en 1940), en de veel jongere ’68-ers (die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog waren geboren). De 84-jarige historicus Friedrich Meinecke, representant van de eerstgenoemde generatie, stelde in 1946 voor collectief Goethe te herlezen – als heilzame therapie na twaalf jaar Götterdämmerung. Van geheel andere orde was het verzet tegen een alom waargenomen ‘fascisme’ van de ’68-ers. Dreigde de Bondsrepubliek Weimar achterna te gaan? Bij de Rote Armee Fraktion ontspoorde fantasieën over Geist en Macht opnieuw in geweld.

Schaduw

Aan het slot van zijn uitputtende tocht door twee eeuwen Duitse cultuurgeschiedenis vraagt Boterman zich af of Duitsland een normaal land is geworden. Ja, is zijn conclusie. Het oude Bildungsideaal is verdwenen, intellectuelen hebben een marginale positie, Duitsland is stevig verankerd in West-Europa en de laatste generatie (de ’68-ers) die in nationale termen met het eigen verleden in het reine probeerde te komen – zij het door een ‘post-nationale’ identiteit te bepleiten – verdwijnt langzaam. Maar toch: de schaduw van het verleden reikt ver, is het niet die van Weimar of nazi-Duitsland dan wel die van de DDR. Herinnerde een woedende Angela Merkel naar aanleiding van Edward Snowdens onthullingen over de spionage door de NSA Barack Obama niet aan de praktijken van de Stasi?