Een vendelzwaaier in de geometrie

De in Brussel woonachtige Henri Jacobs maakte een wonderbaarlijk boek, dat keer op keer verrast. Zijn werk doet denken aan veel: aan klassieke Hollandse graveurs, aan Escher en aan islamitische versierkunst.

‘Al maak je elke dag maar één tekening, dan heb je er na een jaar toch maar mooi 365’, adviseerde me een Rotterdamse academieleraar. Daar zit iets in – voor mensen met faalangst of een vrees voor maagdelijk papier. Beide aandoeningen zijn de Belgische kunstenaar Henri Jacobs (1957) vreemd. Hij tekent gestaag al negen jaar voort aan wat één project lijkt. Zijn onlangs verschenen Journal. Drawings, waarin 666 tekeningen zijn opgenomen, is het bewijs van de stelling dat regelmaat en continuïteit inderdaad kwantitatief én kwalitatief lonen.

Toevallig vermeldt datzelfde Journal dat Jacobs zijn academiestudenten ook aanmoedigde dagelijks iets te tekenen: ‘doe het snel en hou het klein.’ [...] ‘Schep vrijheid door discipline, vind de verrassing in de routine, maak van het probleem de oplossing.’ Zinnen uit een zelfhulpboek voor depressievellingen, zou je denken, maar kunstenaars weten wel beter. Uit die zelf opgelegde dwang en fixatie golft, als het meezit, een flow aan ideeën en associaties.

Jacobs zelf tekende in zijn flow vaak met passers en linialen, hulpstukken die garant staan voor gortdroge tekenkunst. Maar zijn slappe-kaft-Journal bewijst het tegendeel, het boek biedt een enorm arsenaal aan patronen, rasters en andersoortige ritmische structuren. Het eindeloos arceren, in rechte of gebogen lijnen, zorgt voor fijnmazig, grafisch stuntwerk.

Op een klein vel papier tuur je dankzij gestapelde rasters, ineens in een diepe diepte; eenvoudige verschuivingen brengen metamorfoses teweeg, op één vel staan wel tachtig versies van een patrijspoortje, steeds vanuit een ander gezichtspunt perspectivisch getekend, terwijl Jan Dibbets bij zo’n zelfde raam alleen maar met zijn camera hoefde te klikken.

Jacobs’ werkwijze doet denken aan de Hollandse graveurs van weleer die met arceringen andermans schilderijen en tekeningen in de koperplaat gutsten. Ook de wiskundige precisie van Maurits Escher komt om de hoek kijken. En je associeert Jacobs tekeningen net zo goed met islamitische versierkunst op moskeeën, op keramiek, op papier. Uit nood geboren – het verbod op het afbeelden van levende wezens – ontwikkelden islamitische kunstenaars een grote vindingrijkheid, zie de honderden voorbeelden in het net verschenen Islamic geometric design, geschreven door de Britse kenner Eric Broug die het ontstaan van al die variaties uitlegt.

Voor een niet-moslim lijken die decoraties veel op elkaar. Bij Jacobs, die zijn naam als kunstenaar allang gevestigd heeft, valt juist de geweldige gevarieerdheid op. Je oog dwaalt dankzij perspectivische trucs door immense zalen, langs letterpuzzels, over gitzwarte, bijna dicht gearceerde velden. En dankzij de chronologie is goed te volgen hoe het ene geometrische verzinsel uit het andere voortvloeit.

Wat dit Journal nóg rijker maakt zijn de katernen met honderden foto’s van tentoonstellingen, straatbeelden en kunstwerken die Jacobs opvielen in binnen- en buitenland. Die beeldbank, als ‘depôt’ ook op Jacobs’ site te vinden, varieert van boeddha’s en Toetanchamons gouden teenhoesjes tot en met schilders als Bellini, Jan van Scorel, Matisse, Gilbert & George, Han Schuil, Marlene Dumas en anderen.

Jacobs is dus niet de Brusselse, meditatieve monnik de je dacht, hij eigent zich in de wereld beelden toe van wat mooi, zinvol of bruikbaar is, en gaat er met potlood, inkt of aquarelverf mee aan de slag. Welke foto gerelateerd is aan een motief of tekening is lastig te herleiden. Dat doet er niet veel toe, dat meereizen en meekijken zet je aan tot speuren en associëren.

Tot nu toe lijkt Jacobs op een controlfreak. Zijn hand mag nergens uit de pas lopen, elke tekening is genummerd, inspiratiebronnen zijn geordend, papiersoort en formaat staan vast, passer en liniaal maken de dienst uit. Toch is dat een misvatting, Jacobs kan die zelf opgelegde beperkingen ook met gemak weer van zich afschudden. En dan duikt er een kalligraaf op, die als een vendelzwaaier zijn linten laat golven, krullen en zwieren. Hier en daar kom je woeste landschappen en portretten in aquarelverf tegen. Samengeklonterde cirkels vormen in inkt amoebe-achtige vormen die als eb en vloed over het papier deinen of die menselijke gestalten vormen. Kijk je op het ene blad het heelal in, de volgende pagina biedt een microscopisch uitzicht op krioelende cellen.

Een wonderbaarlijk boek dus, dat je keer op keer verbaast, dat grafisch vormgevers en stofontwerpers goed van pas kan komen, maar dat vooral bewijst dat een discipline in tekenen een vernuftige, caleidoscopische wereld kan opleveren. Je zou alleen wensen dat Jacobs eens op forse formaten uitpakt, om nog dieper in zijn werelden te worden gezogen.