Een staatsman die zich laat gaan

Wie langzamerhand wel eens wat meer waardering verdient, is George W. Bush. Niet voor zijn presidentschap, daarvan plukken Amerika en de wereld nog steeds de wrange vruchten. Maar wel voor de jaren daarna. Sinds Bush het Witte Huis heeft verlaten, heeft hij zich met bewonderenswaardige discipline buiten alle actuele politieke discussies en ruzies gehouden.

Hij heeft zich niet in een klooster teruggetrokken, maar je zou het bijna denken, zó terughoudend is hij, zó vastbesloten afstand te bewaren tot het politieke „moeras” in Washington, zoals hij het noemt. Zijn opvolger wil hij niet voor de voeten lopen, president Obama „verdient mijn stilte”.

Maar de meeste politici die Washington hebben verlaten kunnen zoveel sereniteit niet opbrengen – jammer voor henzelf misschien, maar interessant voor de journalistiek en de geschiedschrijving. Deze week was het oud-minister van Defensie Robert Gates die, tweeënhalf jaar na zijn pensionering, grondig zijn hart luchtte in zijn memoires. Het boek verschijnt pas volgende week, maar het bevat harde kritiek op Obama en vicepresident Biden, weten we uit Amerikaanse media die al een exemplaar hebben gekregen. Obama vindt hij maar een twijfelaar, en Biden heeft het de afgelopen veertig jaar in vrijwel alle grote kwesties in de buitenlandse politiek bij het verkeerde eind gehad.

Opvallend aan deze scherpe verwijten is niet zozeer dat ze van een insider komen – het hoort een beetje bij het genre van de politieke memoires dat ze dit soort vuurwerk bevatten. Opmerkelijk is vooral dat de gelijkmatige, altijd beheerste Gates, een staatsman die alom gewaardeerd wordt om zijn koele nuchterheid, zich nu in zijn kritiek zo heeft laat gaan. En overigens niet alleen over Obama en Biden en hun staf, blijkt uit een voorpublicatie in The Wall Street Journal. Over de leden van het Congres schrijft hij dat de meesten „ongemanierd, incompetent, hypocriet, egoïstisch en lichtgeraakt zijn”, en „het eigenbelang voorrang geven boven het landsbelang”. En zo raast hij nog even door.

Consequent is Gates trouwens niet. Hij is wel heel bitter over Obama, en verwijt hem dat hij zijn eigen generaals niet vertrouwt en nooit in zijn eigen strategie voor Afghanistan heeft geloofd. Maar tegelijk schrijft hij dat alle strategische beslissingen van Obama over Afghanistan wél de juiste waren. Het sturen van commando’s naar Osama bin Laden in Pakistan, waar Gates zelf aanvankelijk tegen was, noemt hij zelfs „een van de moedigste beslissingen die ik ooit in het Witte Huis heb gezien” – en dat van een man die hoge functies had onder Reagan, vader en zoon Bush en Obama.

Nu kan grote waardering best samen gegaan met diepe ontgoocheling – en dat lijkt bij Gates het geval. Maar het verbaast dat een man die zo gepokt en gemazeld is in Washington en de wereldpolitiek, daar zo verrast en emotioneel over is. Afgaande op de recensies en de voorpublicatie krijg je de indruk dat de enorme verantwoordelijkheden Gates wat te veel zijn geworden. „Tot ik minister van Defensie werd”, schrijft hij, „had ik alleen met oorlog te maken gehad vanuit de steriele kantoren van het Witte Huis en de CIA. Nu werd het abstracte werkelijk, het steriele bloedig en gruwelijk. Van dichtbij zag ik de kosten in geruïneerde en verloren levens.” Uiteindelijk werd Gates al emotioneel als hij alleen maar dácht aan zijn manschappen – en toen begreep hij dat het tijd was om op te stappen.

Het pleit voor Gates dat hij tot zich heeft laten doordringen wat oorlog voor gruwelen met zich meebrengt. Maar hij heeft daar wel lang voor nodig gehad. Al die jaren dat hij er in allerlei functies ook al over meebesliste, besefte hij dat blijkbaar niet. Maar misschien is koele distantie wel een voorwaarde om over oorlog en vrede te kunnen beslissen. Wordt het te concreet, dan komen er te veel emoties.