Een spiegelbeeld van Don Quichot

Haruki Murakami’s nieuwe roman lijkt geschreven volgens het soap-adagium tell, don’t show. In tweede instantie ontdek je het eigenlijke thema: hoe de mens een bestaan wil ordenen, waarvan de hoofdzaak hem ontglipt.

Grote schrijvers hebben meestal niet meer dan een paar ruwe streken nodig om een personage in de verf te zetten. Een paar allesbepalende karaktertrekken, één of twee vormende gebeurtenissen en de lezer weet wat hij van de held kan verwachten – en wat hij van het boek kan verwachten.

Zo ook Haruki Murakami in De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren. De eerste bladzijde is gewijd aan het doodsverlangen dat de hoofdpersoon rond zijn twintigste in zijn greep heeft. Dan volgt de oorzaak van zijn wanhoop: de verstoting door de vier vrienden van zijn jeugd. Een groot deel van zijn middelbare-schooltijd maakte hij deel uit van een ogenschijnlijk onverbreekbaar vijfmanschap. Vier van de vijf hadden kleuren in hun achternaam kregen dus bijpassende bijnamen (de jongens Blauwe en Rooie, de meisjes Witje en Zwartje). Tazaki betekent Veelpunt, wat hem tot de enige ‘kleurloze’ van de groep maakte.

In de geheel vanuit het perspectief van Tsukuru geschreven roman is die kleurloosheid veelzeggend. Na de middelbare school gaat hij, een jongen met geen woester verlangen dan het bouwen van treinstations, studeren in Tokio. De anderen blijven achter in Nagoya. Na twee jaar willen de vier niets meer met Tsukuru te maken hebben: of hij ze niet meer wil bellen. Hij weet zelf wel waarom.

Tsukuru heeft geen idee waarom, maar hij dringt niet aan. Kennelijk was hij in zijn kleurloosheid toch al het vijfde wiel aan de wagen. Hij gaat terug naar Tokio, pleegt geen zelfmoord, vermagert sterk en rolt in een vrijgezellenbestaan zonder opzienbarende ambities of grote gebeurtenissen. Hij sluit een niet van homo-erotische elementen verstoken vriendschap met een medestudent, maar ook deze Haida (‘Asveld – Mr. Grey’) blijkt op een dag met de noorderzon vertrokken. Op zijn zesendertigste wordt hij verliefd op een vrouw (Sala, reisleider van beroep), die constateert dat hij nog steeds lijdt onder de verstoting door zijn vrienden: zij sommeert hem uit te zoeken wat er precies is gebeurd. Dat doet Tsukuru: hij stuit op moedwil, misverstand en misdaad.

In de synopsis klinkt De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren doodsimpel – en niet alleen in de synopsis. Murakami laat de pelgrimage zich voltrekken in een reeks ontmoetingen waarbij de betrokkenen zo veel van hun gevoelsleven zo expliciet op tafel leggen dat je het idee krijgt dat hij de roman heeft geschreven volgens de wetten van de televisiesoap: tell, don’t show: ‘De angst dat je eigen bestaan opeens wordt afgewezen, de angst die je voelt als je zonder te weten waarom moederziel alleen aan je lot wordt overgelaten. Ik denk dat ik daarom niet tot intieme relaties in staat ben.’ Iets vergelijkbaars geldt voor de letterlijke wederkeer van sommige formuleringen, bijvoorbeeld het gevoel van de ‘volle borsten’ van een vrouw tegen de borst van Tsukuru.

Een beginnend schrijver zou je erom van prutswerk verdenken, bij Murakami ben je geneigd er meer achter te zoeken – al maakt deze vorm De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren tot een nogal slepende leeservaring. Immers: in tegenstelling tot bij een echte soap is er hier veel dat de lezer niet te weten komt. Zo zijn er de misdaden die een rol spelen in de vriendengeschiedenis waar geen schuldige voor aan te wijzen is. En Tsukuru heeft dromen waarvan niet te zeggen is hoe die zich verhouden tot de empirische werkelijkheid. Zo laat Murakami in zijn grote hoeveelheid uitgesponnen informatie een aantal evidente open plekken bestaan.

Wat wel duidelijk wordt, is dat de ‘kleurloosheid’ die Tsukuru zichzelf toedicht alleen in zijn eigen ogen bestaat; de andere leden van de vriendengroep leken hem juist als de sterkste van de vijf te beschouwen – het blijkt zelfs een van de redenen van zijn plotselinge verbanning. Wat in die episode ook duidelijk wordt is dat mensen op het moment dat de wereld ze geen uitsluitsel meer geeft over wat de objectieve waarheid is, ze niet anders meer kunnen doen dan kiezen welk verhaal ze voor waar houden, en daar dan naar handelen. Zo werkt de lezer ook. Die heeft zich door de krachtige tekening aan het begin van de roman laten overtuigen dat de hoofdpersoon een loser is, maar moet dat oordeel geleidelijk herzien.

Omdat de wereld zo veel vragen openlaat, zijn de personages in De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren, in staat de vreemdste verhalen te geloven of te verzinnen – als die verhalen hun wereld maar kloppend maken. Zelfs als ze zichzelf daarmee evident onrecht aandoen. Zo lijkt Tsukuru aan het eind van het boek in staat te geloven dat hij een bepaalde misdaad die hij fysiek niet heeft gepleegd op spiritueel niveau misschien wél heeft gepleegd. Hij staat op het punt de verantwoordelijkheid te nemen voor misstappen die hij nooit heeft begaan. En dáár schuilt het belangrijkste wat Murakami ons in deze roman te bieden heeft. Niet in het wat fletse verhaal van Tsukuru, maar in de schets van de menselijke noodzaak om een bestaan te ordenen waarvan de hoofdzaak ons altijd ontglipt. De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren is zo ook een meta-literaire roman. Het verlangen naar ordening, naar verbeelding is immers het verlangen naar literatuur – naar een verhaal dat sterker is dan de werkelijkheid. Zo gezien is de kleurloze Tsukuru Tazaki een spiegelbeeld van de ingenieuze ridder Don Quichot. Waar die laatste zich zijn eigen grootsheid verbeeldde, klampt Tsukuru zich vast aan de gedachte dat hij niets voorstelt. Dat leverde de Spanjaard stellig een boeiender levensverhaal op dan de Japanner. Maar in beide gevallen laat de schrijver zien hoe de verbeelding de strijd aangaat met de feiten, en passant duidelijk makend waarom hij dat doet – schrijven.