Een poëtische belevenis van jewelste

Van 16-20 januari heeft in Den Haag Writers Unlimited /Winternachten plaats, met onder anderen Herman Koch, Ian Buruma, Antjie Krog en de uitreiking van de Huygensprijs aan Tom Lanoye. Zie winternachten.nl

Het overkomt me zelden, maar bij lezing van de eerste pagina’s van Mens Dier Ding van Alfred Schaffer (1973) voelde ik me op slag ontdekkingsreiziger. En dat gevoel werd sterker naar het einde van dit lyrische epos toe. Dit boek is een gebeurtenis in de poëzie.

Schaffer liet zich, aldus zijn verantwoording, deels inspireren door de roman Chaka. An historical romance (1931) van de Zuid-Afrikaanse schrijver Thomas Mofolo. Ook boeken over de psychologie van tirannieke macht en de geest van despotisme waren bronmateriaal voor Mens Dier Ding.

Schaffers nieuwe bundel is dan ook het levensverslag van een Afrikaanse dictator, Sjaka. Het is geen regelrecht vertelde biografie. Alle denkbare verhaalregisters worden opengetrokken. Er is een objectieve verteller, er zijn de regelmatige dagdromen van Sjaka zelf, er is nu en dan de blik van zijn moeder, er zijn weergaven van tv-optredens, waaronder een quiz met Sjaka als onwillige deelnemer, en zelfs het genre van de mop is vertegenwoordigd. Bij dat al wemelt het van de verwijzingen naar literatuur en film. De korte speer van Sjaka en de eigenschappen daarvan spelen een intrigerende nevenrol. En ondanks alle prozatruken wordt het verhaal als poëzie gepresenteerd.

Het epos opent met een krantenbericht: ‘Een zwarte man gewapend met een speer heeft gisteravond tijdens het spitsuur voor ontsteltenis gezorgd. Breeduit ging hij op de snelweg liggen. Een weg die nota bene dwars door de verblijfplaats loopt van deze man.’ Het is een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker, denk je dan als lezer.

En inderdaad – twee pagina’s verder al vertelt Sjaka zelf: ‘Om mijn verhaal te doen kwam ik per boot uit Afrika / een kleine boot met heel veel mensen. / Een enkeling viel onderweg van boord / dat luchtte op maar nooit erg lang.’ Een asielzoeker dus, maar wel een met een krachtig verleden. ‘Verraad mij en u verraadt mijn volk,’ zegt hij. En dan biedt hij een blik op zijn despotische verleden: ‘Het leiden van een volk is als het snoeien van een tuin. / Hoe meer er wordt gesnoeid / hoe sterker de boom, hoe voller de struik.’

Dit is nog maar een beginnend staaltje van de overweldigende beeldspraak die Schaffer ten tonele brengt. Op zijn best doet hij dat in de dag(dromen) van zijn hoofdpersoon. Die zijn alledaags lyrisch, zoals we dat uit Schaffers eerdere dichtwerk gewend zijn. Ook in zijn nieuwe bundel lijken de teksten niet bedacht of verzonnen, maar simpelweg genoteerd. De lezer krijgt zelden meer dan scherven, maar na ruim 130 pagina’s laten die zich ten slotte aaneenlijmen – al zal de interpretatie per lezer verschillen. Als elke goede dichter biedt Schaffer geen oplossingen, maar vergroot hij de raadsels. Dat Sjaka’s dagdromen aftellen van # 12.868 naar # 0 is één van die raadsels.

Intussen badineert de dichter zijn eigen vertelkracht, zoals in ‘alles loopt precies volgens het boekje van de doorsnee mythe’ en ‘De plot heeft haast, een andere vertelling is al in de maak’. En ook het poëtische gehalte van de tekst wordt als los zand gepresenteerd. In ‘Poging tot een interview’ krijgt Sjaka de vraag ‘Wat heeft de koning (die hij dan inmiddels is) bijgedragen aan dit leven?’ Het antwoord dat hij daarop geeft zou je niet van een dictator verwachten. Of juist wel? ‘Rijm en ritme. Ritme en rijm. Symmetrie!’ stelt Sjaka. ‘U belichaamt poëzie?’ is een volgende vraag. ‘Dat vraag ik mij niet af,’ is dan het antwoord, ‘en wat is poëzie nog helemaal.’

Mens Dier Ding geeft een eigen antwoord op die verzuchting. Van tere lyriek naar nuchtere straattaal, van cultureel fijnzinnig naar oorlogszuchtig. En vaak geestig, met tong in de wang, zoals ‘Soldaten moeten kunnen doden met één houw’ (zie kader).

Soldaten moeten kunnen doden met één houw

en met twee woorden kunnen spreken.

Kunnen dansen, zingen, moppen, tappen

en een vroege vorm van voetbal kunnen spelen.

Kunnen zwijgen als het graf behalve over oorlog.

Niet praten met een volle mond of met een dame.

Ook de beveiliging wordt opgeschroefd,

Een hek, daarbinnen nog een hek

dan nog een laatste hek

een heel stel wachtwoorden

pas daarna sta je recht voor Sjaka’s neus.

Maar waar is Sjaka.

‘Soldaten...’ staat op pagina 89. Sjaka zit nog stevig in het tirannenzadel, maar in de komende zestig bladzijden voltrekt zich zijn val. Eerst vermoordt hij zijn potentiële geliefde nog even, en ook als vader blijkt hij dodelijk. Als hij hoort dat hij een zoontje heeft gekregen, stapt hij de hut van de jonge moeder binnen: ‘vult de hele ruimte / gaat dan voor het wiegje staan en in de vrieskou / van zijn schaduw sterft de zuigeling.’

Sjaka’s eigen einde is even ontluisterend. ‘Zijn lichaam wordt teruggevonden in een veld. Groen uitgeslagen maar volkomen gaaf. / Zo giftig dat geen dier een hapje waagt.’ Het leven van zo’n onmens, ondier, onding laat zich niet navertellen in het proza van een recensie. Lezen dus, dit meesterwerk.