Een boycot is het (nu nog) niet

Nederlandse bedrijven staken sommige activiteiten in Israël. Van een boycot is geen sprake, maar zo wordt het in Israël wel opgevat.

Pensioenbeheerder PGGM trok zijn beleggingen in Israëlische banken terug. Waterbedrijf Vitens blies samenwerking met Israëls staatsbedrijf Mekorot af. Ingenieursbureau Haskoning zette een project in Oost-Jeruzalem stop. Allemaal het laatste half jaar. Deze week zei SGP-Kamerlid Kees van der Staaij op de radio: „Het sfeertje dat nu ontstaat is steeds meer dat van een boycot”.

Dat is overdreven. De motieven van de drie Nederlandse bedrijven zijn in de eerste plaats juridisch, en niet politiek. De bedrijven wijzen op het Internationaal Gerechtshof, dat in 2004 oordeelde dat de Israëlische Muur en nederzettingen in bezet gebied illegaal zijn. Kranenverhuurbedrijf Riwal is het schrikbeeld. Het Openbaar Ministerie begon in 2010 een strafrechtelijk onderzoek naar Riwal, dat betrokken was bij de bouw van de Muur, en staakte dat pas vorig jaar – zonder Riwal vrij te pleiten.

Daarbij beroepen Vitens (zijn aandeelhouders zijn lagere overheden) en PGGM (pensioenbelegger) zich op hun maatschappelijke verantwoordelijkheden. „Deelnemers in de pensioenfondsen eisen dat hun geld fatsoenlijk wordt belegd”, verklaart een woordvoerder van PGGM. „Terecht. PGGM heeft daar geen enkele moeite mee, maar steunt deze wens van harte. Het staat in onze beginselen.”

Niet in de laatste plaats volgen de bedrijven graag het Nederlandse beleid. Formeel ontmoedigt de regering bedrijven „investeringen te doen of andere activiteiten te ontplooien in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse Gebieden”. En volgens de drie Nederlandse bedrijven begunstigden hun afgezegde activiteiten die nederzettingen. Eén en één is twee.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken lijkt het kabinetsbeleid wat minder letterlijk te nemen. Het ontmoedigde Haskoning medio vorig jaar actief, en Vitens en PGGM daarna niet. Den Haag wil niet uitleggen waarom.

Er zijn wel verklaringen te bedenken. Misschien wil het de relatie met Israël niet te zeer schaden. Mogelijk gaan economische belangen voor. Waarschijnlijk vreest Buitenlandse Zaken politieke consequenties. Israël en Palestina liggen zeer gevoelig in het parlement. Minister Timmermans (PvdA) kan het in deze niet goed doen.

Regeringspartij VVD speelt hierbij een belangrijke rol. Tweede-Kamerlid Han ten Broeke zei onlangs over de kwestie-Haskoning aan de telefoon: „Ik vond de bouw in Oost-Jeruzalem niet zo’n probleem. We lopen met ons ontmoedigingsbeleid ver voorop in Europa. We stellen het op schrift, we dragen het bilateraal uit. Maar als je het beleid te letterlijk neemt, kun je in Israël geen hand meer schudden.”

Bovendien, zei Ten Broeke, „zijn die werkzaamheden in de nederzettingen slechts bijzaak in het licht van Kerry”, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Onder leiding Kerry werd eind juli het vredesoverleg tussen Israël en de Palestijnen hervat. John Kerry heeft de Europese Unie gemaand zich gedurende dit overleg – negen maanden – koest te houden. Dus geen nieuwe handelsrestricties. Die mogen pas worden ingezet als Israël de vredesbesprekingen opblaast.

Een andere verklaring is de mogelijke, maar onbevestigde kandidatuur van Timmermans voor de post van EU-buitenlandcoördinator. De Duitse bondskanselier Angela Merkel vond bij de vorige benoemingsronde, in 2009, de Italiaanse kandidaat te pro-Palestijns. Timmermans heeft als Kamerlid ook zo’n reputatie gevestigd. Als staatsman, en als EU-kandidaat, moet hij daar vanaf.

Timmermans moet echter ook luisteren naar de publieke opinie. Die verschuift in Nederland al jaren, ten faveure van de Palestijnen. Met name de doorgaande bouw in de nederzettingen, zelfs tijdens de vredesbesprekingen, maakt Israël impopulair. Ook Timmermans hekelde dit fenomeen herhaaldelijk. Daarin verschilt hij overigens niet van zijn voorgangers, van CDA (Ben Bot en Maxime Verhagen) en VVD (Uri Rosenthal). Ook zij achtten de nederzettingen illegaal en voerden het ontmoedigingsbeleid.

Toch wijt Israël de recente ontwikkelingen aan het Nederlandse kabinet, dat zich zou willen onderscheiden van Rutte I, waarin de PvdA niet zat. „Wij hebben geen andere verklaring”, zei de Israëlische diplomaat Yigal Palmor. „Drie incidenten kun je geen incidenten meer noemen, dit is een trend. Een puur Nederlandse trend. Israël boycotten is nu mode in Holland.”

Palmor noemt het besluit van de bedrijven „absurd, hypocriet, zinloos, zeer onplezierig en oneerlijk”. Volgens Israël zijn de nederzettingen legaal, en heeft de terugtrekking geen juridische basis. Maar, zegt Palmor, „dit kabinet uit zich zo ambigu over het ontmoedigingsbeleid dat je een buitengewone expert moet zijn om de praktische implicaties te begrijpen. Dat creëert misverstanden.”

Daarom ontbood Israël vandaag opnieuw de Nederlandse ambassadeur. Jeruzalem eist dat Den Haag zich „ondubbelzinnig uitspreekt” tegen de stap van PGGM, die „de vriendschap tussen de landen beschadigt”.

Als de zoveelste ronde vredesgesprekken straks weer niets oplevert, bestaat de kans dat de ‘trend’ overwaait naar andere landen. En als PGGM een precedent schept, zijn de gevolgen voor Israël desastreus. PGGM haalde zijn geld terug uit de vijf grootste banken, omdat die betrokken zijn bij de financiering van de nederzettingen. En, weet ook Palmor, zonder die banken kun je in Israël geen zaken doen. Dan kun je gerust spreken van een boycot. Zonder sfeertje.