Een beperkt doel is wel zo eenvoudig

Murakami heeft de naam dat zijn personages zich weinig aan de wereld gelegen laten liggen, maar klopt dat eigenlijk wel?

Op een middag zit Haruki Murakami in een tijdschrift te bladeren. Het is een ongewone dag want hij leest de ingezonden lezersbrieven, iets wat hij anders nooit doet. Murakami is een schrijver van de bandeloze verbeelding, niet iemand die zich in het maatschappelijk debat roert, zich opiniërend uitlaat. Een schrijver put uit de verbeelding van zijn ivoren toren – het verklaart zijn afkeer van lezersbrieven. Maar die middag gebeurt er iets: terwijl hij de lezersbrieven leest, wordt hij diep geraakt.

In een brief schrijf een vrouw over haar man die zijn baan kwijtraakte na de gifgasaanvallen in de Japanse metro. In maart 1995 was daar op een ochtend sarin-gas vrijgelaten: 13 mensen kwamen om, 6000 mensen raakten gewond, de man van de briefschrijfster verloor zijn baan.

Wat was er met die man? Hij viel flauw toen het gas in zijn coupé was verspreid, werd opgenomen in het ziekenhuis en na een paar dagen weer naar huis gestuurd. Maar de klachten bleven – zowel fysiek als psychisch. Aanvankelijk waren zijn collega’s begripvol, maar na enkele weken maakte empathie plaats voor ergernis. De man voelde zich dermate ellendig onder de opmerkingen van zijn baas en collega’s dat hij ontslag nam. De brief houdt Murakami bezig en na alle media-aandacht voor de daders besluit hij enkele slachtoffers te interviewen. De werkelijkheid is dichtbij gekomen – zelfs Murakami is in beweging gebracht om in geschreven vorm van betrokkenheid blijk te geven. Hun verhalen bundelt hij in Underground. The Tokyo Gas Attack and the Japanese Psyche (1997). De slachtoffers halen niet alleen herinneringen op, maar vertellen ook wat die dag nu nog voor ze betekent.

Een 26-jarige vrouw vertelt bijvoorbeeld hoe ze op het perron mensen ziet kronkelen terwijl het schuim uit hun mond komt. Aan de overkant lopen de mensen gewoon voorbij. ‘Niemand zorgde voor de gewonden. Iedereen negeerde ons en liep gewoon door.’ Of: een andere vrouw die een stationsmedewerker op de grond ziet liggen terwijl niemand wat doet. Ook zij loopt door in de hoop dat iemand anders een ziekenauto belt. Uit meerdere verhalen blijkt dat de ambulances ongeveer anderhalf uur later pas ter plekke waren en dat ziekenhuizen niet op de hoogte waren gebracht van wat ze konden verwachten. Elders legt een schoonmaker uit dat het wachten was op de aanslagen: mensen zijn steeds meer op zichzelf gericht. Het bewijs daarvoor ziet hij in zijn pas gedweilde vloeren. Ook waar de vloer nog nat is van het sop, gooien de mensen gewoon hun afval op de grond.

Het gebrek aan betrokkenheid, of misschien juist de angst ervoor: het is iets waar veel van Murakami’s fictieve personages ook onder lijden. Ze laten zich meestal niet zo veel aan de wereld gelegen liggen, of proberen haar een beetje te ontlopen. Einzelgängers zijn het, pratende katten, koekjesbakkende beren of mannen zonder gezicht; twijfelaars gestuurd door dromen, fantasieën; door kunst, muziek, liefde, nachtmerries. Maar liever niet door politiek.

Het is niet voor niets dat een van de personages uit ‘Een ufo in Kushiro’ (uit Na de aardbeving) impotent is. Zijn kleurloze vrouw is vertrokken nadat ze dagen achter elkaar op tv naar de beelden van het getroffen Kobe heeft gekeken. In haar afscheidsbrief schrijft ze aan haar toekomstige ex: ‘in jouw hart is er niets wat je me geven kúnt. Zeker, je bent lief, vriendelijk en knap om te zien, maar leven met jou is hetzelfde als leven met een klomp lucht.’ De man zakt weg in een leegte – zoals veel personages in deze bundel in een spirituele leegte vervallen – en reist zonder eigen doel. Zijn leegte en impotentie staan hier voor de onvruchtbaarheid die al te directe betrokkenheid kennelijk met zich meebrengt.

Ook in De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren draait het om de leegte. Al in het begin verklaart Tazaki dat het hem ‘een bijzonder aantrekkelijk idee’ lijkt dat ‘de dingen die hij nu als werkelijkheid beschouwt niet werkelijk zin’. Hij bestaat niet voor de wereld, dus het zou goed zijn als ‘deze wereld niet langer voor hem bestaat’. Hij leest geen kranten, heeft nergens behoefte aan en wat er in de wereld gebeurt interesseert hem niet. En toch komt ook hier – net als in Na de aardbeving waarin mensen worstelen met de gevolgen van de aardschok in 1995 – betrokkenheid met de wereld om de hoek kijken.

Tazaki heeft dan wel een beperkt wereldbeeld, het is niet voor niets dat hij door stations is gefascineerd. Hij wil alleen maar stations bouwen omdat ‘een beperkt doel het leven een stuk eenvoudiger’ maakt. En daarom is Tokio ‘de plaats waar hij naartoe kan’. En vanwege de stations was zijn geboorteplek ‘de plaats waar hij naartoe terug kon’ (de cursiveringen zijn van Murakami). Een typisch geval van nogal wiedes, maar er komt zoveel nadruk op te liggen, dat het een zaak van groot belang blijkt om heen en terug te kunnen, en het station een mythische plek geworden is.

Een station is een overgang van A naar B, en bij Murakami wordt dat een poort tussen heden en verleden, fantasie en werkelijkheid, droom en waken. Kortom: het station is de sleutel tot de verbeelding. Wanneer die wordt bedreigd, ontstaat betrokkenheid, en dit is precies wat er gebeurde in 1995 na de gifgasaanval en de aardbeving. Murakami schreef eerde over het ‘rampjaar’ 1995: ‘Volgens mij hebben deze twee gebeurtenissen aan het begin van 1995 de loop van de naoorlogse Japanse geschiedenis veranderd. Beide gebeurtenissen laten zien dat we ons niet meer veilig kunnen voelen in de wereld waarin we leven, omdat die niet langer verankerd is.’

De aardbeving zette hij om in verhalen, de gifgasgebeurtenis komt terug bij Tazaki: ‘Als zo’n bomvol station het doelwit zou worden van een fanatieke terroristische organisatie, is de ellende niet te overzien.’ Een ‘nachtmerrie’, die ‘in de lente van 1995 in Tokio echt heeft plaatsgevonden’.

De stationsbouwer Tazaki, die zich het hele boek zorgen maakt om de veiligheid van stations, is geen kleurloze bouwmeester maar een waakhond van de verbeelding. Met zijn betrokkenheid maakt hij het literaire universum van Murakami mogelijk. Of in Murakami’s woorden: ‘we moeten doorgaan ons eigen verhaal te vertellen, en dat verhaal dient een moraal te bevatten die ons kan warmen en opbeuren.’