De lokroep van de trekvogel

Wat is de gemiddelde trekvogel? Nee, niet die gans in V-formatie. Een eenzame vink. ’s Nachts.

Een grauwe kiekendief die in een bos slaapt? Onmogelijk.

Vogelbioloog Raymond Klaassen geloofde zijn eigen resultaten niet. Een grauwe kiekendief is een roofvogel van het open veld. In Nederland gedijt hij alleen goed in het kale oosten van Groningen.

Klaassen en zijn medebiologen hadden een paar dagen eerder enkele grauwe kiekendieven satellietzenders omgegord, toen de vogels vertrokken voor de najaarstrek naar Afrika. Hoe lang zou de reis duren? Waar zouden ze stoppen? En zouden de Groningse kiekendieven op dezelfde plek overwinteren als Duitse, Poolse en Wit-Russische soortgenoten? Het was een ongekend groot onderzoeksproject. Zes jaar veldwerk, tientallen kiekendieven met zenders, bijna 250.000 euro, alleen al voor de zenders en het dure dataverkeer.

Al op de dag dat de vogels wegvlogen, kwamen de eerste kaartcoördinaten binnen van de trekroutes. Overdag vlogen de kiekendieven zo’n 200 kilometer, vooral glijdend op de thermiek. ’s Nachts sliepen ze. Klaassen zocht de rustplaatsen op in Google Earth: „Ik kijk naar die gps-posities en zie een groot dennenbos. Ik dacht: dat zal inmiddels wel een kapvlakte zijn, want dat kan niet kloppen. Dus zijn we sommige slaapplekken gaan nakijken. Ze slapen écht in bomen, de helft van de dagen.”

Raymond Klaassen (1977) wilde geen vogelbioloog worden. Dat is niet gelukt. In de eerste zeven jaar van zijn carrière publiceerde hij al 38 wetenschappelijke artikelen, de meeste over trekroutes. Kleine mantelmeeuwen, gierzwaluwen, poelsnippen, kiekendieven, grauwe klauwieren, enzovoort. Het langst werkte hij in Zweden, aan de Universiteit van Lund. Vaak publiceren de grote bladen zijn stukken – zelfs Science, in 2012.

„Als kind ging ik met een verrekijkertje naar buiten”, vertelt Klaassen. Hij zit op een felrode sofa in het nieuwe gebouw van het ecologisch instituut NIOO in Wageningen. „Met m’n vader, of met vriendjes. Gingen we de Groesbeek afdammen. We keken ook een beetje naar vogels. Zo is het erin geslopen. Maar ik dacht altijd: je hebt hobby en je hebt werk. Dus ik ging planten en insecten bestuderen. Misschien was ik bang dat ik niet meer zou kunnen genieten van de vogels.” Hij probeerde het: hij trok naar de Verenigde Staten voor minuscule wespen. „Maar toen merkte ik: ik moet met vogels verder.”

Van de trek van de meeste trekvogels weten we niets, vertelt Klaassen. Waarom bestaat vogeltrek? Hoe oriënteren vogels zich? Dat zijn de grote vragen – maar de kleinere vragen zijn nog niet eens beantwoord. Waar vliegen ze, wanneer?

De gemiddelde trekvogel is niet die grauwe gans die in V-formatie zuidwaarts klapwiekt. Nee, het is een kleine vink die op 1 à 2 kilometer hoogte overvliegt. Altijd in zijn eentje, altijd ’s nachts. Nooit ziet een vogelaar hem trekken. „Van kleine trekkende zangvogeltjes, 85 procent van alle trekvogels, weten we nagenoeg niets.”

Maar dat is aan het veranderen. Want steeds meer vogels maken de oversteek naar Afrika met sensoren op hun rug. Simpele sensoren zonder zender (‘dataloggers’) leggen de locatie van een vogel heel grofweg vast (tot 100 kilometer). Nog altijd te zwaar voor zangvogeltjes, maar geschikt voor vogels die minstens 20 gram wegen. Satellietzenders – tien keer zo zwaar als dataloggers – verraden zelfs tot op meters nauwkeurig waar de vogel is. En die gegevens lopen vanzelf binnen, zonder het dier te hoeven vangen. „Het gaat nu heel hard, die zenders worden steeds lichter. We kunnen al koekoeken volgen.”

Afgelopen woensdag publiceerde Klaassen over trekkende Deense en Zweedse koekoeken in PLOS One. Komende woensdag verschijnt een zenderonderzoek van hem in Proceedings of the Royal Society B.

Een kleine stichting uit Groningen – de Werkgroep Grauwe Kiekendief – financierde en organiseerde het zeer uitgebreide trekonderzoek, waarbij kiekendieven uit drie populaties tot in hun overwinteringsgebieden gevolgd werden. Met satellietzenders, zelfs door de roofvogels ter plaatse in Afrika op te zoeken. Oprichter en vogelonderzoeker Ben Koks van de werkgroep schudde aan alle bomen om het geld bijeen te krijgen. Het landbouwministerie, provincies, de NAM, collectebusfondsen in Nederland en Duitsland, enzovoort. Het project loopt nog steeds – Klaassen is in dienst van de Werkgroep, naast zijn baan bij het NIOO.

Dat kiekendieven in bomen slapen, was een verrassende vondst. Maar het grote patroon is het belangrijkst. De Groningse kiekendieven waaieren uit over Afrika, net als hun soortgenoten uit andere Europese landen. Poolse en Nederlandse dieren kunnen in de winter buren zijn. Met een verrekijker of pootringen was niemand daar ooit achter gekomen.

„Een grauwe kiekendief, in de hand, is zo’n fantastisch beest. Hij is zó mooi.” Klaassen gebaart alsof hij een door een eeuwenoud boek bladert. „Dan maak je die vleugels open en zie je die donkergrijze baantjes lopen, dat is zó kicken. En op de ondervleugel zit een soort oranje stippeling... Op dat moment word ik even de vogelaar die alleen maar geniet – en dan zet ik de zender op zijn rug. Ik beschouw mijn werk nooit als werk, ook niet als ik achter de computer zit. Ik wil weten hoe het zit.”

Wat wil je dan weten?

„Uiteindelijk? Een jonge kiekendief – of een andere trekvogel – komt uit een ei. Na een paar maanden gaat dat beest helemaal op eigen kracht naar Afrika, en meestal lukt dat gewoon. Hoe werkt dat? Welke strategie volgt hij? Is zijn doelgebied voorgeprogrammeerd in zijn genen? Of vliegt hij gewoon 180 of 200 graden naar het zuiden en ziet hij wel waar hij uitkomt?”

Hoe ver is de wetenschap met het beantwoorden van die vogeltrekvragen?

„We kunnen steeds beter voorspellen hoe een vogelsoort trekt. Roofvogels, zwaluwen of ganzen volgen elk een eigen, tamelijk voorspelbaar patroon. Maar ondanks die globale patronen blijkt uit het zenderwerk dat elke individuele vogel iets anders doet. En daar houden ze strikt aan vast. De grauwe kiekendief die we het langst gevolgd hebben, Franz, ging vijf jaar lang naar dezelfde stopover-plek, in het hoogland op de grens tussen Algerije en Marokko. Elk voorjaar, en elke herfst. In de winter was hij in Mali. Maar zijn buurman uit Oost-Groningen kan dan best 1.200 kilometer oostelijker zitten. Waarom? Is het toeval, omdat de wind in zijn eerste jaar meer uit het westen waaide? Of had die andere vogel misschien een Poolse moeder?”

Wat denk je zelf?

„Ik denk dat de doelgebieden van trekvogels deels genetisch bepaald zijn. Dat er een aangeboren neiging is die verder gaat dan ‘ik vlieg zes dagen naar het zuiden’. Kijk naar de trek van grauwe klauwieren. Die vliegen helemaal in hun eentje van Zweden, via Egypte en de Sahel naar de Kalahari-woestijn. En terug via de Hoorn van Afrika en Turkije. Dat is zo ingewikkeld. Ik denk niet dat een vogel die route volgt met enkel een klok-en-kompas-strategie.”

Er is dus een aangeboren neiging om precies naar de Hoorn van Afrika te vliegen?

„Ja, dat denk ik. Stel dat we het helemaal zouden begrijpen. Dan zouden we in het DNA kunnen knippen en plakken, en zo een jonge vogel ergens anders naartoe kunnen sturen. Ik wil heel graag jonge vogels zenderen, om achter de individuele ontwikkeling van trekroutes te komen.”

Je bent zelf nooit in Afrika geweest, toch?

„Nee. Heel jammer. Nu we steeds meer kennis verzamelen over die soorten, wil ik graag de landschappen erbij zien. Kongo zou heel spannend zijn. Een groot deel van de Nederlandse boerenzwaluwen zit daar, koekoeken, gierzwaluwen, Zweedse poelsnippen... En het gekke is: vogelbiologen die daar in het regenwoud geweest zijn, zien geen trekvogels. Misschien zitten ze wel boven de bomen. Van bovenaf lijkt zo’n tropisch bos net een golvend steppelandschap. Stel je voor: onder de bomen gorilla’s, en erboven onze zwaluwen.”