BN’ers in reclame

Het kan verkeren, ook voor de Bekende Nederlander. Nam hij vroeger welwillend reclameaanbiedingen in overweging, tegenwoordig wendt hij zich vaak zélf tot bedrijven als Centraal Beheer en Unilever met het verzoek reclame voor hen te mogen maken.

Met die constatering sluiten de makers van 100 Jaar BN’ers in de reclame hun tentoonstelling (nog tot 28 februari) in de Beurs van Berlage in Amsterdam af. Je hoort de makers gnuiven: die BN’ers met hun pretenties – ze hebben toch maar mooi het bedrijfsleven nodig.

Het is een milde vorm van leedvermaak die ook elders in de tentoonstelling opduikt. Bij de behandeling van de jaren zestig wordt „de nieuwe lichting cabaretiers met venijnige en maatschappijkritische programma’s” te grazen genomen. Als voorbeelden dienen Paul van Vliet en het echtpaar Jasperina de Jong-Eric Herfst.

Van Vliet heb ik nooit zo venijnig gevonden, maar De Jong-Herfst roerden in het cabaret Lurelei ontegenzeglijk de linkse trom. In de reclame voor het Bergoss Trylon-tapijt blijft daar weinig van over. Herfst zit knullig-tevreden op de bank boven het tapijt, De Jong kijkt opgetogen vanuit haar fauteuil toe, de hond knus aan de voeten. Gerard Cox, hun collega van Lurelei, zien we later in tijgervel Duyvis („Ik hoort dat er een fuif is”) behagen.

Ook Toon Hermans moet eraan geloven. Op een muur staat dit citaat van hem: „Soms heeft reclame iets van een arrogant soort bedelaar.” Even verderop zien we Hermans op een foto een blij teugje nemen van een glaasje Henkell Trocken. Er staat geen commentaar bij – dat was overbodig.

Ook andere humoristen zijn met hun reclame-uitingen te zien, zoals Van Kooten en De Bie met hun Postgirofilmpje, Rijk de Gooyer met zijn hilarische reclame voor Paturain („Goed gedaan, jochie”), Reaal („Foutje, bedankt”) en veertien andere bedrijven, een aantal waarmee hij André van Duin (twaalf bedrijven) voor bleef. Daarmee waren De Gooyer en Van Duin de reclamekoningen van Nederland.

Hoeveel de BN’ers ermee verdienden, wordt van sommigen „bij benadering” vermeld. Toon Hermans: 450.000 gulden (Hema), Van Basten 315.000 gulden (Bavaria), De Gooyer 75.000 gulden (Paturain). Op een wand staan alfabetisch de namen van allerlei reclamemakende (inclusief ideële reclame) BN’ers. Interessant is om te zien wie er ontbreken. Enkele voorbeelden, waarbij ik me tot de cabaretiers beperk: Youp van ’t Hek, Freek de Jonge, Theo Maassen, Hans Teeuwen, Herman Finkers, Brigitte Kaandorp.

Een aparte rol is, hoe kan het anders, weggelegd voor Johan Cruijff. We zien hem in een grote reclame voor Roxy Dual Filter uit 1979, waarin hij adviseert: „Rook verstandig.” Maar tevens wordt vastgesteld dat hij zich veel later in een reclamecampagne distantieerde van het roken.

Er zijn leuke filmpjes op de tentoonstelling te zien, maar over het algemeen is moeilijk vol te houden dat reclame het beste boven brengt in de artiesten onder de Bekende Nederlanders.

Wat me het meest verbaasde: twee foto’s uit 1935 waarop Stan Laurel en Oliver Hardy reclame maken voor Van Houten’s cacao: ze drinken uit kopjes met de merknaam erop vermeld.

Wat me het meest bekoorde: hoe Willem van Hanegem in een ideële reclame voor verstandelijk gehandicapten omgaat met een gehandicapte jongen; hij drukt hem na het nodige gedol aan zijn borst alsof het zijn zoon is: „Is het zo goed, ben je tevreden?” De jongen knikt verzaligd.