Besmet met het vriendinnengevoel

Tegen het decor van de Spaanse Burgeroorlog ontvouwt zich het harde leven van een jonge vrouw. Lees deze terloopse, toch indringende vertelling, met een beklemmend sadistisch machtspel.

Eind jaren tachtig kocht ik in de ramsj Colometa, een roman uit 1962 van de Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda. Ik had nog nooit van haar gehoord, maar het boek maakte zo’n indruk dat ik alles van haar ben gaan lezen en het regelmatig herlees.

Colometa speelt zich deels af tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Het is het relaas van het volksmeisje Colometa, dat tijdens een straatfeest in Barcelona verliefd wordt op de arbeider Quimet. Ze laat haar brave verloofde in de steek, trekt bij hem in en geeft zich aan hem over.

Quimet is een harde man, die zijn vrouw mishandelt en verkracht, maar ook lief voor haar is. Je vraagt je soms af waarom Colometa van hem houdt. Maar dan sneuvelt Quimet in de Burgeroorlog. Colometa blijft met twee kinderen achter en wacht tevergeefs op zijn terugkomst om uiteindelijk het grote geluk in zichzelf te ontdekken.

Wat die roman zo bijzonder maakt is niet zozeer het verhaal van een meisje dat allerlei tegenslag overwint, als wel de stijl waarin het is geschreven. Nonchalant en palaverend vertelt de naïeve en dromerige Colometa wat haar is overkomen. Ze geniet van het kleine: de duiven op de dak, een nieuwe jurk en vooral de bloemen om haar heen. Bijna fluisterend deelt ze haar gedachten met je, waardoor je het gevoel krijgt dat ze je beste vriendin is – zo een die je alles vertelt.

Dat vriendinnengevoel krijg je ook in Rodoreda’s vier jaar later geschreven roman In de Cameliastraat, die nu prachtig is vertaald door Frans Oosterholt. Opnieuw wordt een verhaal opgediend over een naïeve jonge vrouw, die met hardhandige mannen omgaat. Maar anders dan in Colometa is de vertelster, Cecília, destructief van aard. Ze is een vondeling, die niet weet waar ze vandaan komt – iemand zonder identiteit. En precies daarom stort ze zich onbezonnen in het ene na het andere liefdesavontuur, om te eindigen als een courtisane die mannen net zo gebruikt als zij haar gebruiken.

Als kind is Cecília lastig. Ze verzet zich tegen haar pleegouders, maar geniet ook van alles om zich heen. En dan lees je mooie zinnen als: ‘Ik zat op de traptree groot te worden. Ik luisterde naar wat al die vrouwen die ik niet mocht zeiden, zag de helikoptertjes van esdoorn vallen of dwarrelen en keek naar de zon boven de rozen.’

Vervolgens luistert Cecília haar pleegouders af, die over haar echte ouders smoezen. Dat die haar zo’n ‘trieste’ voornaam hebben gegeven, dat haar vader – 'vast een musicus’ – een gemene man moet zijn. Cecília’s enige troost is Maria-Cinta, de rijke nicht van haar pleegouders, aan wie ze zich spiegelt. Zó wil ze leven als ze groot is.

Als ze op een avond van huis wegloopt om bij het Liceu, het stadstheater, naar de musici te kijken – en dus haar vader zoekt –, ontmoet ze een leuke jongen, Eusebi. En dan lees je: ‘Alsof alles wat er in Eusebi’s ogen glom iets knellends in mijn binnenste had losgemaakt, ik weet niet wat.’

Als ze Eusebi een paar jaar later, middenin de Burgeroorlog, weer tegenkomt, verlaat ze prompt haar pleegouders en gaat ze met hem samenwonen in een krottenwijk. Het is haar eerste stap op weg naar de zelfstandigheid.

Die Burgeroorlog is, net als in Colometa, slechts op de achtergrond aanwezig. Je merkt alleen sporadisch de gevolgen, als bijvoorbeeld een bekende is gesneuveld of door de Franquisten opgepakt. Maar wel hangt in het hele boek een sfeer van repressie en verraad. En ook dat is zo knap aan Rodoreda: terwijl het verhaal van Cecília zo terloops wordt verteld, blijkt de roman als een huis in elkaar te zitten.

Eusebi, die in zijn agressie op Colometa’s Quimet lijkt, verdwijnt op zekere dag in het gevang, omdat hij een dief is en in het anti-Francokamp heeft gevochten. Cecília legt het nog even aan met buurman Andrés, met wie ze al een flirt had toen ze nog met Eusebi was. Maar wanneer die aan tbc sterft, besluit ze te gaan tippelen. Het is het begin van haar ondergang, die vaak zo indringend is beschreven dat je er akelig van wordt.

Het dieptepunt in Cecília’s relaas is haar verhouding met de getrouwde dandy Marc. Hij huurt een appartement voor haar en laat haar uit jaloezie afluisteren en volgen. Zijn vriend Eladi zit ook in het complot: hij voert haar dronken en verkracht haar. Het is allemaal onderdeel van een beklemmend sadistisch machtsspel.

Na Marco gaat Cecília met getrouwde mannen die wél lief voor haar zijn. Steeds gewiekster maakt ze gebruik van hen, omdat ze beseft dat ze het in het leven zelf zal moeten opknappen.

Wanneer aan het eind van het boek Cecília een leven leidt als dat van Maria-Cinta en ze zich ook nog eens met dezelfde meubels, beelden en bloemen omringt als in het huis van haar pleegouders stonden, besef je dat ze geen afkomst meer nodig heeft om gelukkig te zijn. Net als Colometa is ze eindelijk vrij.