Amsterdam heeft haast en springt over de A10

Aan de westkant springt Amsterdam over de A10: de ijle strook tussen snelweg en metro is volop in beweging. Het onderste deel groeit uit tot een gewone voorstad, het bovenste wordt een passantenstad. Alleen het middendeel blijft een geïsoleerd bestaan leiden.

Binnen de ring of buiten de ring, dat is de kwestie. Tenminste, dat is de kwestie in de ogen van niet-Amsterdammers. „Expats vergelijken de A10 met de Périphérique in Parijs. En mensen uit de provincie hebben van horen zeggen dat je buiten de ring niet in het echte Amsterdam woont. En ze willen zeker niet naar Nieuw-West, want als ze een paar hoofddoekjes zien, dan schrikken ze zich rot. Bij Amsterdammers ligt dat anders, die zijn daaraan gewend”, aldus Ronald de Nas, commercieel directeur van Jacobus Recourt/ MVGM, die alleen al in Amsterdam zorgdraagt voor de verhuur van bijna 10.000 woningen van beleggers, corporaties en pensioenfondsen.

De Nas ziet de afgelopen jaren Amsterdammers uit de oude stad de ring oversteken, met name naar de westelijke Delflandpleinbuurt. „Huizen zijn er een stuk goedkoper en met de bakfiets breng je je kinderen zo in Zuid naar school.” De nieuwe bewoners blijven zich op de oude stad oriënteren, niet voor niets bracht ontwikkelaar annex belegger Amvest de woningen in deze buurt aan de man met de zinsnede: „Met tien minuten lopen, sta je midden op het Hoofddorpplein, waar je terecht kunt voor je dagelijkse boodschappen.” De winkels van het Delflandplein direct om de hoek worden niet eens genoemd.

Maar zijn zij werkelijk de enigen die de ring oversteken? De bevolking van Amsterdam blijft groeien, elk jaar komen er zo’n 10.000 inwoners bij. De bouw van nieuwe huizen blijft daarbij ver achter en dat leidt tot flatsharing: mensen gaan noodgedwongen een woning delen. De stad als spons, noemen stedenbouwers en statistici deze ontwikkeling. Onder de kop „Ring Amsterdam is minder een barrière dan gedacht” analyseerde het Tijdschrift voor de Volkshuisvesting onlangs waar al die nieuwe mensen blijven.

Op de kaartjes van het aantal ‘huishoudens van drie of meer alleenstaanden’ springt de strook direct ten westen van de A10 in het oog. In absolute zin is het aandeel woningdelers daar nog bescheiden, maar in de periode 2006-2012 vond in de strook tussen snelweg en spoor wel de sterkste groei plaats. „De ‘spons’ is traditioneel sterk binnen de ring, maar breidt buiten de ring vooral aan de westelijke kant uit”, luidde dan ook de conclusie.

Donut

De ‘uitrol van het centrumgebied’ heeft volgens de Structuurvisie Amsterdam 2040 topprioriteit, maar dat is een langetermijnvisie en Amsterdam heeft haast. Want hoogopgeleiden – de economische motor van de stad – dreigen uit te wijken naar andere steden en vooral naar andere landen. Tot 2025 willen er 100.000 nieuwe mensen de stad in en daarvoor zijn 50.000 woningen nodig, vooral huurwoningen net boven de sociale huurgrens.

Er moet dus snel actie worden ondernomen, maar waar precies? Meteen aan de andere kant van de A10 of ook nog verder daarbuiten? In het afgelopen december gepresenteerde plan Amsterdam maakt mogelijk berekende de gemeente waar investeringen het meeste geld opleveren. En dat blijkt in de ringzone te zijn, „het gebied rondom de A10 en in het noorden rondom het IJ”. En dus wil de stad daar tot 2025 ruim 1,6 miljard euro investeren, het dubbele van het bedrag dat wordt uitgetrokken voor het veel grotere gebied daarbuiten – met onder andere de Bijlmer en het grootste deel van Nieuw-West en van Noord.

De kaart van de ringzone lijkt op een donut die met grove streken is geschilderd. Pas als je wat beter kijkt, valt op dat het grootste deel gewoon binnen de A10 ligt. In het noorden gaat het om de IJ-oevers plus het oude hart van Noord, aan de oostkant horen Zeeburgereiland, Indische Buurt en de Watergraafsmeer erbij, in het zuiden gaat het om Amstel Business Park en de Zuidas. Pas aan de westzijde komt het gebied buiten de ring echt in beeld en dan met name de strook tussen de snelweg en de spoordijk voor treinen en metro’s. De Weststrook is een smalle zone die begint ten noorden van station Sloterdijk en eindigt bij knooppunt Nieuwe Meer. Met een lengte van zes kilometer en een breedte van een halve is dit gebied net zo groot als de Indische Buurt, Dapperbuurt, Transvaalbuurt en Oosterparkbuurt samen, toch wonen er de helft minder mensen.

IJle zone

Formeel hoort deze strook bij het beroemde Algemene Uitbreidingsplan van Van Eesteren, maar die wist eigenlijk niet goed wat hij ermee aan moest. Op de plattegrond van het AUP is alleen te zien dat hij deze strook anders arceerde dan de rest van de tuinsteden, een teken dat de dichtheid hier hoog moest worden. Van Eesteren had geen haast om deze strook te ontwikkelen: hier lagen tuinderijen die de stad van eten voorzagen en dus begon hij in de jaren vijftig buiten de spoordijk.

In de tijd dat Osdorp, Geuzenveld en Slotermeer werden gebouwd, werd de strook volgens de dienst Ruimtelijke Ordening (dRO) gebruikt als „dumpgebied” voor allerlei stedelijke voorzieningen, zoals scholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen, een GVB-garage en een daklozenopvang. Het resultaat is een „ijle zone”.

De Weststrook hoort dus eigenlijk noch bij Nieuw-West, noch bij de oude stad. Het is een niemandsland tussen de snelweg en het spoor met een handvol woonwijken en allerlei grootschalige voorzieningen. Het beste zicht daarop heb je vanuit restaurant Floor 17 van het Ramada Apollohotel – inderdaad op de zeventiende verdieping.

Van rechts naar links zie je de kantoortorens rond station Sloterdijk, de hoge wand van appartementencomplex De Tribune die de half afgebouwde nieuwbouwwijk Laan van Spartaan beschermt tegen de herrie van de A10, het Lucasziekenhuis en de GVB-remise, de half voltooide stadsvernieuwing in Slotervaart, de flatwand langs de Postjesweg die het Allebéplein aan het oog onttrekt, het World Fashion Centre met de appartemententorens van het Oranjekwartier en aan het einde nog een glimp van de torens van bedrijventerrein Riekerhaven. Op de achtergrond rijden constant gele treinen en blauwe metro’s heen en weer.

Strikt genomen valt het Ramada, dat aan de rand van het Rembrandtpark ligt, net buiten de Weststrook, maar toch zegt dit hotel veel over de veranderingen van het gebied. Na jarenlange leegstand is de kantoortoren uit de jaren zeventig omgebouwd tot een groot hotel (446 kamers) en daarvan zijn in de strook veel voorbeelden te vinden, zoals Golden Tulip West (245 kamers) en Holiday Express Sloterdijk (254 kamers). Nu al is een op de acht Amsterdamse hotelbedden in de Weststrook te vinden en er staan er nog veel meer in de planning. Zo wordt het spiegelcomplex The Dam, nu nog het grootste leegstaande kantoor van de stad, verbouwd tot een congreshotel met 478 kamers.

Drie snelheden

Een strak omlijnde visie op de Weststrook, die onder drie stadsdelen valt, heeft de gemeente niet en die zal er ook niet komen. De tijd van blauwdrukken is voorbij: de stad kiest ervoor om de markt te volgen, hergebruik van leegstaande gebouwen te stimuleren en spontane stedelijke processen te versnellen.

In de strook is goed te zien hoe de effecten per gebied verschillen. Het deel ten zuiden van de Lelylaan ontwikkelt zich door de toestroom van nieuwe, permanente bewoners tot een gewone voorstad. In de Delflandpleinbuurt zie je vooral een overflow vanuit Oud-Zuid; de nieuwe, halfgesloten bouwblokken doen niet toevallig aan de oude stad denken. Het Oranjekwartier is voornamelijk een autonome enclave met appartemententorens, die al sinds de jaren negentig young urban professionals trekken, zoals nieuwe stedelingen toen nog werden genoemd. Afgelopen oktober startte de bouw van twee nieuwe torens met huurappartementen in de prijsklasse 700 tot 1.000 euro per maand: King en Queen.

Het noordelijk deel van de strook, grofweg boven de Jan van Galenstraat, scoort nog altijd relatief slecht wat betreft leefbaarheid. De afgelopen jaren is die weliswaar gestegen, maar de slechte reputatie maakt de markt minder happig om te investeren in woningen en dus is tijdelijkheid hier de motor geworden. Dat kunnen letterlijk tijdelijke bewoners zijn, zoals de hotelgasten van de omgebouwde kantoortorens, maar er zijn ook veel semipermanente bewoners, zoals de antikrakers in de stilgevallen stadsvernieuwing in de Kolenkitbuurt en de studenten en expats die enkele maanden tot een jaar verblijven in het vorig jaar opgeleverde The Student Hotel. Er zijn ook combinaties van tijdelijk en semipermanent, zoals in de leegstaande HTS in de Kolenkitbuurt. In mei opent WOW daar zijn deuren: vijftig ateliers voor artist’s in residence die er maximaal twee jaar mogen wonen, gecombineerd met een hostel met 250 tot 300 bedden. Waar het zuidelijk deel steeds meer een voorstad wordt, ontwikkelt het noordelijk deel zich tot een passantenstad.

In Overtoomseveld, dat in het midden van de strook ligt, beperken de ontwikkelingen zich vooralsnog tot de klassieke stadsvernieuwing. De buurt had het geluk gehad dat de stedelijke vernieuwing hier vroeg van start ging: bij het uitbreken van de crisis was een belangrijk deel van de sloop/nieuwbouw al achter de rug. Overtoomseveld scoort dan ook beter op de leefbaarheidsindex dan de Kolenkitbuurt, maar tot een instroom van nieuwe stedelingen heeft dat nauwelijks geleid. Het middendeel van de strook vindt letterlijk en figuurlijk nauwelijks aansluiting bij het gebied binnen de ring – het blijft een geïsoleerde stadsbuurt.

Een grote hindernis is het Rembrandtpark, dat als een barrière tussen Overtoomseveld en de Baarsjes ligt. Zeker ’s avonds vinden fietsers en wandelaars het er eng: het is er leeg en verlaten. Geen enkel park in Amsterdam wordt zo vaak gemeden, zo blijkt uit Het Grote Groenonderzoek 2013.

Jan Eef

De ring als scheiding tussen het ‘echte Amsterdam’ en de tuinsteden mag dan voor een belangrijk deel een mentale kwestie zijn, er zijn weldegelijk ook fysieke, stedelijke oorzaken. De wegen die oude stad en nieuwe stad verbinden zijn breed en leeg, er zijn geen gebouwen die ze flankeren, geen ogen op straat die voor sociale veiligheid zorgen. Om de stad binnen en buiten de ring te verbinden, wil de gemeente deze wegen dan ook aanpakken: het moeten aangename stadsstraten worden. Vijf straten zijn uitverkoren; als eerste is de Jan Evertsenstraat aan de beurt.

Als je op de kaart kijkt is de keuze voor de ‘Jan Eef’ niet vreemd: de straat loopt onder verschillende namen in een bijna rechte lijn van de Dam naar de Sloterplas. In een kwartier fiets je van het hart van de stad naar een prachtig stadsmeer. Zelfs lopend is het goed te doen: de afstand van vier kilometer wandel je in minder dan een uur. Maar bijna niemand doet het, en dat heeft veel te maken met de laatste kilometer. Bij de Orteliuskade, dus nog ruim binnen de ring, lijkt de stad op te houden. En bovendien: wat heeft de nieuwe stedeling aan de Sloterplas eigenlijk te zoeken? Café Oostoever zit weliswaar in een van de mooiste panden van Amsterdam, maar het blijft een oubollig eetcafé.

Geld heeft de gemeente niet; ze is afhankelijk van de corporaties, het ziekenhuis, het GVB en andere vastgoedeigenaren aan de straat. Er wordt gepraat, maar de resultaten zijn vooralsnog mager. En corporatie De Key doet niet mee – ze zegde onlangs zelfs de huur op van broedplaats Beehives, die acht jaar aan de Jan Evertsestraat zat.

Toch gloort er licht aan het einde van de straat. Na zes jaar heeft de gemeente eindelijk de pachters van café Oostoever kunnen uitkopen en komt er een prijsvraag voor een nieuwe invulling die de doorbloeding van de Jan Eef en daarmee van de Weststrook een impuls moet geven. Misschien is een andere naam een eerste goede stap, want Oostoever is voor de bewoners van de tuinsteden misschien een heel logische naam, maar vanuit de stad ligt het paviljoen toch echt gewoon in het westen.