Column

Zelfplagiaat als nobel protest

Zelfplagiaat verhoudt zich tot plagiaat als zelfmoord tot moord. Ik vind het van een andere orde dan moedwillig andermans werk jatten. Econoom Peter Nijkamp van de Vrije Universiteit blijkt zichzelf iets te vaak herhaald te hebben. Hij schreef zijn wetenschappelijke artikelen al copy-pastend, om zijn publicatieaantallen op te schroeven.

Is dat erg? Zelf heb ik ook wetenschappelijke zelfplagiaat gepleegd. In 1999 studeerde ik af bij twee studies. Delen van mijn afstudeerscriptie bij studie A keerden letterlijk terug in die bij studie B. Ik weet eigenlijk nog steeds niet of dat een strafbare vorm van autoplagiaat was. Wel weet ik waarom ik het deed.

Tijdsdruk? Deels. Maar het voornaamste was toch: ik hád het al eens op de best mogelijke manier onder woorden gebracht, dus waarom zou ik een zwakkere versie maken van hetzelfde? Nauwkeurige lezers zullen af en toe wat zinnen uit mijn columns letterlijk in mijn romans zien opduiken en andersom. „Waarom herhaalt u zichzelf steeds?” vroeg iemand Gerard Reve eens. Hij gaf het beroemde antwoord: „Wie zou ik anders moeten herhalen?”

Zelfplagiaat is vakinhoudelijk totaal geen zonde. Het getuigt juist van consistentie. In elk blad iets anders beweren zou wetenschappelijk gezien juist dubieus zijn, maar volgens de spelregels, die om aantallen draaien, lovenswaardig. De zelfplagiator zuigt geen onderzoeken uit z’n duim, maar herhaalt z’n eigen resultaten, zoekt er een zo breed mogelijk podium voor, wat juist lovenswaardig is.

Een steekproef in Nijkamps werk door deze krant bracht acht gevallen van zelfplagiaat aan het licht. De VU wil een volledig onderzoek naar Nijkamp. Ik ben vooral benieuwd naar een steekproef onder alle wetenschappers. Natuurlijk, de publicatiekanonnen die er op papier bijna dagelijks een artikel uitpoepen vallen het eerst door de mand, maar de gehaaide fraudeur zorgt natuurlijk dat zijn fictieve productie aannemelijke proporties behoudt.

Het is nauwelijks een geheim dat wetenschappers trucjes hebben om hun publicatieaantallen op te krikken: elk onderzoek uitsmeren over meerdere artikelen, co-auteurschappen binnenhalen, enzovoorts. Het is een dagelijkse sport, van dezelfde orde als het uit de duim zuigen van de ‘maatschappelijke relevantie’ van je onderzoek, om er subsidie voor te krijgen. Vooral geesteswetenschappers vinden die ‘relevantie’ terecht lariekoek, strijdig met de aard van onderzoek, maar ze spelen het spelletje mee. Hetzelfde geldt voor de hoge publicatiedruk. Het systeem dwingt tot creativiteit.

Juist al die spelregels van citatie- en publicatiescores, van financiering op basis van publicatieaantallen, van maatschappelijke relevantie en van studentenaantallen, zijn in strijd met de aard van wetenschap, die geen fabriek is waarvan je de productie kunt opschroeven.

Zelfplagiaat is daar een nobel protest tegen.