Wetenschap mag niet alleen om publicatie gaan

Publicatie is een te gemakkelijke rechtvaardiging voor de kwaliteit van wetenschap. Voorkom heksenjacht en bespreek met open vizier waar wetenschap nou echt toe dient en kan dienen, schrijft Huub Dijstelbloem.

Wat zou het mooi zijn als dit stuk kon beginnen met de vaststelling dat de snel oplopende reeks fraudezaken door wetenschappers in Nederland (Stapel, Poldermans, Bax, Dhonukshe) de deur heeft geopend voor een debat over wat kwaliteit in de wetenschap eigenlijk is.

Maar helaas. Hoewel het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit het drukker heeft dan ooit, reageren universiteiten nog steeds als gebeten op kritiek dat ze niet voortvarend te werk gaan. Schimmige zaken worden met de grootste omzichtigheid afgehandeld. Steeds zijn het de media of blogs als Retraction Watch die Colleges van Bestuur dwingen de vuile was buiten te hangen.

Zeker, in alle universitaire beleidsprogramma’s wordt de aandacht voor wetenschapsethiek benadrukt. Maar dit zijn dode letters zolang een discussie over waar wetenschap nu eigenlijk voor bedoeld is en hoe onderwijs en onderzoek het beste gewaardeerd kunnen worden achterwege blijft. Met als reden dat het gevaarlijk is zo’n existentieel debat te voeren als bezuinigingen dreigen. Mensen die wetenschap een kwaad hart toedragen, zouden er maar mee op de loop kunnen gaan, is de gedachte. En daarom vindt het gesprek nog steeds achter gesloten deuren plaats.

Het kwalijke gevolg is dat het publiek verstoken blijft van wetenschappelijke zelfreflectie. Klassieke maar verouderde ideeën over de Ivoren Toren blijven zo ongecorrigeerd een eigen leven leiden. Met als resultaat dat de teleurstelling groot is als een bestuurder zichzelf weer eens overschreeuwt. Denk aan de uitspraak: „Over twintig jaar zal kanker voor 90 procent een chronische en goed te behandelen ziekte zijn.” Of denk aan onderzoekers die al te nauwe banden met de industrie hebben, zoals de viroloog die waarschuwde voor de Mexicaanse griep waartegen hij zelf vaccins ontwikkelde.

En nu hangt daar Peter Nijkamp, topwetenschapper, winnaar van de Spinozaprijs en nota bene voormalig voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Nadat aanvankelijk alleen het proefschrift dat hij begeleidde onder vuur lag, zit hij nu zelf in de beklaagdenbank. De beschuldiging luidt niet eens dat hij ongeoorloofde proeven op mensen heeft gedaan, aangetoonde schadelijke bijwerkingen van medicijnen heeft verzwegen of data heeft verzonnen. Het gaat om ongeoorloofde zelfcitatie en plagiaat. Maar niet om onderzoek op basis waarvan medicijnen worden ontwikkeld of wankele bruggen worden gebouwd waar menselijke slachtoffers bij vallen.

Vanwaar dan deze inquisitie? De angel zit hem erin dat in de wetenschap het beloningsysteem het publicatiesysteem doorkruist. Wie sjoemelt met artikelen, rommelt aan zijn ‘output’ en zijn cv. Dat betekent niet alleen dat persoonlijke erkenning op oneigenlijke gronden wordt verkregen, maar ook dat de kansen op financiering, eervolle prijzen en prestigieuze posities toenemen.

In een systeem dat zich laat voorstaan op zijn onafhankelijke methodologische objectiviteit is dat funest. Dat systeem wordt echter niet alleen door bestuurders en ‘de managementcultuur’, maar ook door wetenschappers zelf uitgehold. Ondanks de perverse effecten van de huidige afrekencultuur wordt die door grote delen van de wetenschappelijke gemeenschap gedragen.

Begrijpelijk, want er zijn carrières op gebouwd en instituten op gevestigd.

De ongemakkelijke vraag moet daarom maar eens gesteld: als een publicatie slechts een afgeleide is van goed onderzoek, waartoe dient dat onderzoek dan zelf eigenlijk?

Pas als die vraag beantwoord is, kan een adequaat waarderingssysteem worden ontwikkeld dat wel op de juiste beoordeling van kwaliteit is toegesneden.

Het systeem dat nu dominant is, gaat voornamelijk af op aantallen afgestudeerde studenten, aan de onderzoekskant aangevuld met beloningen voor publicaties, citaties, gehonoreerde onderzoeksaanvragen, behaalde prijzen, ingebracht geld en eventuele patenten. Niet alles wat van belang is, kan op die manier eerlijk worden gewaardeerd.

Veel wetenschappers gaan te gemakkelijk voorbij aan de vraag of kwaliteit in termen van maatschappelijke meerwaarde mag worden beoordeeld. En hoe ‘impact’ op een relevante manier kan worden gewogen.

Het publicatiesysteem biedt wetenschappers een hele makkelijke manier voor rechtvaardiging van het eigen werk. Maatschappelijke en economische baten op de langere termijn dreigen uit beeld te verdwijnen, zowel in het topsectorenbeleid als in het huidige dominante kwaliteitsmodel.

Vragen over bestaansrecht hoeven alleen maar indirect beantwoord te worden met het voldoen aan de gangbare (doch perverse) norm. Als een discussie uitblijft over wat nu de juiste manier is om onderzoek te waarderen, worden ‘publicaties’ doel op zich en verstomt de discussie over wat wetenschap wel wil betekenen. Universiteiten en wetenschappelijke instellingen zouden als zelfbewuste corporatieve organisaties de schroom over een debat moeten afwerpen. Anders wordt dat gesprek wel door anderen gevoerd.