Weer een slecht stuk

One World Magazine zond me naar een buitenwijk van Enschede om er verslag te doen van de kennismakings-/benefiet-avond van de stichting ‘Hand in hand voor Syrië’. De paar aanwezigen kenden het tijdschrift geen van allen, maar nu ze eindelijk een journalist bij de kladden hadden, lieten ze me niet meer los ook. De heer Rik

One World Magazine zond me naar een buitenwijk van Enschede om er verslag te doen van de kennismakings-/benefiet-avond van de stichting ‘Hand in hand voor Syrië’. De paar aanwezigen kenden het tijdschrift geen van allen, maar nu ze eindelijk een journalist bij de kladden hadden, lieten ze me niet meer los ook. De heer Rik Min, een kaderlid van de NCPN met plukjes grijs haar aan de zijkanten van het hoofd die ritmisch meedansten als hij sprak, zei dat ik met de neus in de boter was gevallen. „Wij weten meer over Syrië dan het NOS Journaal en de Volkskrant.”

„Jouw baas belt, hij maakt er een prop van en gooit het in de prullenbak”

Met ‘wij’ bedoelde hij vooral zichzelf.

„Ik ben een van de weinige mensen met verstand van nationalisatievraagstukken.”

En toen ontdekte een van de aanwezigen dat ik columns voor nrc.next schreef, waarna de strontkar met vereende krachten over me heen werd gekieperd. NRC, de zogenaamde kwaliteitskrant, nog erger dan de hetzerige NOS en de verschrikkelijke Volkskrant.

„Hele eenzijdige berichtgeving over Syrië”, zei Sonja van den Ende, de initiatiefneemster van de avond. „Jullie kiezen partij tegen president Assad.”

„Er is daar geen revolutie!”, riep Rik Min.

Meneer Guryas Zaghititi, voorzitter van ‘Hand in hand voor Syrië’ begon over een container met hulpgoederen die door toedoen van de douane nog steeds in Hengelo stond en zei dat de stichting door inmenging van de staat nergens een bankrekening kon openen.

„Stond weer niets over in NRC”, zei Corry Westgeest, ook van de NCPN.

Om hun onvrede over de berichtgeving te uiten hadden ze in de zomer gedemonstreerd voor het nieuwe pand van de krant.

Sonja: „We mochten niet naar binnen, er kwam een journalist naar buiten. Henk of Fred van de buitenlandredactie, kent u die?”

Ik schudde het hoofd.

„Ach kom”, zei Corry, „een jongen met een blauwe blouse.”

Rik Min snapte sowieso niet waarom de hoofdredacteur niet zelf naar buiten was gekomen. De collega met de blauwe blouse was op de stoep de discussie aangegaan, ze hadden de indruk dat ze hem met de feiten om de oren hadden geslagen.

„Enfin”, zei Sonja, „drie dagen later kwam er een artikel.”

Corry: „Weer een slecht stuk.”

Rik: „Er moet geschreven worden dat 80 procent van de Syrische bevolking achter president Assad staat, maar dat schrijven ze niet.”

Corry: „Over onze actie ook geen woord. Tubantia berichtte er wel over, ook een slecht stuk trouwens.”

Toen ik zei dat ik er in de door hun gehate krant over ging schrijven werd er gelachen. Guryas Zaghititi schudde het hoofd. „Jouw baas belt, hij maakt er een prop van en gooit het in de prullenbak.”

Precies wat ze vandaag zelf met dit stuk gaan doen.

Weer slecht.