We zijn verwende prima donna’s

Topmusici, balletdansers en operagezelschappen spreken de taal van de samenleving niet meer. Kunstenaars moeten nieuwe wegen inslaan, zegt de directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Lef kan Hans Waege niet ontzegd worden. Kan iemand nog scherper zijn dan Melle Daamen in zijn kritiek op de kunstinstellingen en kunstenaars? Ja dus. De algemeen directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest deed vlak voor Kerst in de Stadschouwburg in Amsterdam een manmoedige poging in het debat dat was gewijd aan het pleidooi dat Daamen, directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam, in deze krant had gehouden voor ‘kiezen en vertragen’, om zo de overproductie en de vrijblijvendheid in de kunsten tegen te gaan.

Waege stelde dat alle klassieke kunsten te apathisch zijn in een wereld die in rap tempo verandert. Dat te veel topmusici zich opstellen als verwende prima donna’s. Dat ze platgetreden paden blijven bewandelen en verzuimen nieuwe wegen in te slaan om nieuw publiek te trekken en te houden.

Maar Waege zette zijn aanval in met Vlaamse volzinnen vol metaforen. Wat zei hij dan in zijn betoog? Een substantieel deel van de kunstsector heeft „te laat en te traag de weg naar publieksgerichte innovatie ingezet”. Dirigenten en solisten noemde hij „efemere godskinderen, die niet de minste relatie vertonen tot grote relevante onderdelen van de samenleving die ze betaalt”. En hij stelde het ‘Henry Forddenken’ aan de kaak dat „bijna tot artistieke norm is verheven” bij orkesten of balletgezelschappen, „alsof het lopendebandwerk is een set uitvoerende kunstenaars op een podium te zetten, ze een aantal uren te laten repeteren en dan de gesacraliseerde canon uit te zenden”. Zo bleef hij die middag buiten schot met zijn pleidooi voor een investeringsbeleid waarbij volgens hem „gekozen moet worden om verdord hout weg te zagen” en te kiezen „welke jonge scheuten mogen blijven staan en welke weggeknipt om andere levensvatbaar te maken”.

Twee weken later licht Waege zijn betoog toe. Van zijn kantoor in de Doelen in Rotterdam loopt hij binnendoor naar de bar van Hotel Manhattan. Daar neemt hij zijn gasten vaker mee naar toe, zegt hij, wat ook blijkt als hij vraagt om „die Portugese rode wijn die u altijd heeft”.

Hij stelt direct dat hij het niet alleen over het Rotterdams Philharmonisch wil hebben. „Mijn verhaal gaat over alle klassieke kunsten: klassieke muziek, ballet, opera en in zekere mate ook toneel. Een relevant stuk van die klassieke kunsten, dat ook nog eens een groot deel van het subsidiegeld krijgt, spreekt te weinig de taal van de samenleving. Als instellingen moeten we daar intelligent mee omgaan. Het vraagt veel van onze mensen. Want het respect voor hun kunstambacht is weg.”

Waege deed als hoogleraar aan de Universiteit van Gent onderzoek naar publieksparticipatie in de cultuursector en sociale netwerken totdat hij in 2004 Jan Raes opvolgde als directeur van de Filharmonie, het symfonieorkest van Antwerpen, toen deze naar het Rotterdams Philharmonisch vertrok. En nadat zijn landgenoot in 2009 verhuisde naar het Koninklijk Concertgebouworkest in Amsterdam, volgde Waege hem weer op. De socioloog in hem is te horen als hij zegt: „We zijn de voorbije 25 jaar van een traditioneel georganiseerde samenleving gebaseerd op religie en lokale elites veranderd in een consumptiesamenleving die steeds globaler wordt. De klassieke kunsten staan voor een enorme opdracht om hun rol in die veranderde wereld op te nemen.”

Hij beseft wat hij over zich af kan roepen. „Melle Daamen heeft veel emoties geoogst, maar nauwelijks inhoudelijke discussie. Er wordt ‘respect’ geroepen en: ‘Mijn hele carrière staat op het spel.’ Er wordt belerend gesproken van ‘de heilige canon die ongenaakbaar is’. De grond van de zaak is dat het publiek steeds verder veroudert. Men stroomt niet meer en masse in op zijn vijftigste of zestigste, zoals vroeger. We kunnen wel met zijn allen roepen dat niemand achteruitgaat in bezoekersaantallen, maar de macrocijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau spreken boekdelen. De participatie gaat sinds 2000 hard achteruit. Jongere generaties ontlenen geen status aan het bezoeken van de klassieke kunsten.”

Te lang is vertrouwd op „een oorkussen”, zoals Waege het uitdrukt. In Europa zijn dat de overheidssubsidies. In de VS de endowments, de gigantische vermogensfondsen die Amerikaanse rijken ooit vanuit de verheffingsgedachte opgericht hebben. „De problemen zijn de zelfde. Zolang het geld bleef komen, bleven de klassieke kunstinstellingen ook geloven in hun eigen wijsheid. Maar in Europa wordt gehakt in de subsidies. In de Verenigde Staten zijn door de crisis veel endowments in de problemen gekomen.”

Al die orkesten, ballet- en operagezelschappen veranderen too little, too late?

„Onze adoratie voor die geweldige dirigenten, balletdansers, kunstenaars – onze hyperromantische visie op kunst – is uit de hand gelopen. Die heeft ervoor gezorgd dat kunstinstellingen onvoldoende hebben ingegrepen. Maar het bezoek valt weg.”

Musea laten toch hogere bezoekcijfers zien?

„De klassieke museumbezoeken aan de collecties van musea lopen ook terug. Als je het bezoek aan megatentoonstellingen niet meetelt, loopt het bij musea achteruit. Musea zijn wel al veel meer bezig met beleving. Kijk ook wat het Louvre doet en de publieksontwikkeling in de laatste twintig jaar. Dat is gigantisch. Of nu het Rijksmuseum: ze hebben een prachtige belevingscontext gecreëerd waarbij het over zoveel meer gaat dan de kunst die er hangt, en er gebeurt voortdurend iets nieuws. Daarover gaat het. Wij zijn als klassieke kunsten nog in een woestijn als je kijkt wat musea of bioscopen hebben gedaan aan belevingswaarde.”

Schieten de de orkesten en gezelschappen alleen tekort of ook de zalen?

„Als je vanavond bij De Doelen aankomt voor een concert, dan arriveer je bij een dode kist. Om kwart voor zeven gaat het licht aan, en dan moet die zaal pas gaan leven. Dat kan niet meer in de 21ste eeuw. Als publiek voor een concert dat één uur duurt naar de schouwbug moet komen en ervoor en erna gebeurt niks, dan kun je niet innoveren. Zalen moeten verbouwen. Bij De Doelen is er nu goedkeuring om de entree te veranderen, maar dat is slechts één stapje.

„We concurreren ook met het thuisontspanningsaanbod, inclusief de iPad. Dat heeft een nieuwe wereld gemaakt, waar kunstinstellingen vooral niet met dedain op moeten neerkijken. No way.”

U stuit dan op de prima donna’s die het contact met het publiek verloren hebben?

„Ja. Te veel dirigenten en topmusici belijden wel dat ze naar de samenleving gaan, maar ze begrijpen niet ten volle wat dat betekent. Ze leven in een wereld waarin ze business class van vijfsterrenhotel naar vijfsterrenhotel vliegen. Dirigenten kunnen twitteren, maar dat heeft geen zin als nieuwe generaties zich niet met hen en hun muziek identificeren. Dirigent Eduard Flipse ging in de jaren vijftig zelf naar de scholen toe om kinderen uit te leggen wat het voor hem betekende om muziek te maken. Dat was nog de verheffingsgedachte uit die tijd, het volk moest ontwikkeld worden.

„Wij allemaal, dus ook de musici, moeten beseffen dat we voor een gigantische verandering staan. We moeten luisteren naar het publiek en vragen stellen. Dat is iets heel anders dan de beste dirigent inhuren voor het mooiste repertoire in het meest geniaal uitgedachte programma.”

En andere muziek spelen?

„Ik ben bezorgd over de ontwikkeling van de hedendaagse kunstproductie. Bij hedendaagse muziek is die wel het meest problematisch. Het wordt slecht ontvangen door het publiek. Ik reken mij niet bij de muziekexperts van deze wereld, maar wel tot de kleine groep van mensen die ontzaglijk veel muziek hebben gehoord. Als ik het al moeilijk heb om veel van die hedendaagse composities uit te zitten, dan is er toch echt iets aan de hand. Nieuwe muziek zou voelbaar en vakkundig de emoties van mensen moeten beroeren.”

Met huiskamerconcerten probeert u de kloof met het publiek te dichten?

„Ja. Maar ons Blown Away Art Fest in november is een spectaculairder voorbeeld. In de Onderzeebootloods stond het volledige orkest in een danceomgeving tussen de dj’s drie keer twintig minuten symfonische muziek te spelen met een enorm lichtspektakel. Het was over the top, dat weet ik. Maar Waarom we dat doen? Niet om zieltjes te ronselen voor wat we in De Doelen doen. Het is een experiment om als orkest te zien waar een publiek van high potentials mee bezig is. En zij toonden zich onder de indruk. Dat geeft hoop. We moeten dat verder ontwikkelen. Het kost me veel tijd en energie. Meer dan het organiseren van het Requiem van Verdi.

„Het is van een heel andere orde dan het filmconcert Lord of the Rings. Daar zitten we als puur ambachtelijk dienstverlener livemuziek bij de film te spelen. Dat is niet de essentie van de kunst. Maar als bij die film een hobosolo mensen tot tranen brengt, dan heb ik respect voor wat het kunstambacht teweegbrengt. Dat is de nederigheid die dit deel van de kunstensector aan de dag moet leggen om te snappen wat de essentie is. Dichtbij de mensen gaan zitten en ze beroeren met een simpel melodietje.”

U pleit voor een investeringsbeleid. Wat bedoelt u daar mee?

„Het gaat allereerst om investeren in nieuwbouw of renovatie van de infrastructuur. Pas dan kun je de gebouwen geschikt maken om er de beleving te organiseren waar het publiek om vraagt. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt niet bij het Rijk, dat de grote instellingen subsidieert, maar bij de gemeenten die eigenaar zijn van de panden. Het is goed dat minister Bussemaker oog heeft voor een betere afstemming. Maar er moeten sterke keuzes worden gemaakt, het moet niet platgepolderd worden.

„De overheid moet de uitgaven aan cultuur als investering beschouwen, niet als kosten. Haal de hakbijl weg. Denk grondig na over wat de essentie is van de klassieke kunsteninstellingen voor de samenleving. We hebben een internationale artistieke functie, een representatieve functie voor de economie van onze steden en van het land, mensen in de stad identificeren zich met ons. Geef kansen. Eis mislukkingen. Anders neemt niemand de risico’s die nodig zijn om succesvol te zijn in de toekomst. En verschaf tijd. Als een bedrijf als Unilever besluit alleen nog in duurzame producten en productieprocessen te investeren, bouwt het zich ook niet van vandaag op morgen om.

„Bij kerninstellingen als het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch, het Rijksmuseum, het Nationale Ballet of het Nederlands Danstheater moet je vervolgens de discussie over hun functies niet steeds opnieuw voeren. Laat deze niet meer iedere vier jaar opnieuw subsidie aanvragen en stel niet iedere keer weer nieuwe eisen. Maak beheersovereenkomsten waardoor hun voortbestaan voor een langere periode is gegarandeerd.”

Kan Nederland leren van Vlaanderen?

„Neem Brugge, daar was weinig toen het werd uitgeroepen tot Culturele Hoofdstad van Europa in 2002. Nu staat daar een muziekgebouw met een gigantische concertzaal en een mooie kamermuziekzaal. Met vallen en opstaan hebben ze een gedurfde programmering opgebouwd die veel publiek trekt in een stad met 120.000 inwoners en een klein achterland.”

Kan er meer in Vlaanderen dan in Nederland?

„Een groot verschil is dat in Vlaanderen de culturele en de politieke elite elkaar nooit hebben losgelaten. Daardoor is het draagvlak voor de kunsten in Vlaanderen veel langer gezond geweest. Maar heeft de Vlaamse culturele sector genoeg gebruikgemaakt van de langere tijd die ze daardoor had? Dat kan je maar van enkele instellingen zeggen.

„In de politiek ontbreekt leiderschap, in Vlaanderen en in Nederland. Voor het verheffingsideaal is niets in de plaats gekomen. Men loopt achter opiniepeilingen aan als populistische dwergen en vindt dat nog eerbaar ook. We zullen als kunstinstellingen zelf de weg moeten aangeven en die energie zal vooral moeten komen van de artistieke leiders.”