SS’er, maar niet boosaardig

Oud-SS’er Siert Bruins is gisteren niet veroordeeld voor moord Maar hij is ook niet vrijgesproken Dat Bruins een verzetsman doodschoot is bewezen, maar de rechter noemt het doodslag

Oud-SS’er Siert Bruins komt de rechtszaal binnen in Hagen, Duitsland. Bruins wordt ervan beschuldigd in 1944 een verzetsman te hebben doodgeschoten. foto AP

Noch veroordeeld, noch vrijgesproken. Dat was gisteren de opmerkelijke uitkomst in de zaak tegen de Nederlandse SS’er Siert Bruins.

De rechtbank in de Duitse stad Hagen achtte bewezen dat Bruins verzetsman Aldert Klaas Dijkema in de nacht van 21 op 22 september 1944 heeft doodgeschoten. Hij trof hem met twee kogels in de rug. Toch veroordeelde de rechter de 92-jarige verdachte niet voor moord. De rechtszaak werd eingestellt, gestopt, omdat niet te bewijzen viel dat het slachtoffer zijn lot „argeloos” onderging.

Die argeloosheid lijkt een bagatel, maar is voor de Duitse wet van doorslaggevend belang. Moord verjaart niet in Duitsland, maar het doden van een mens is pas moord als er sprake is van Heimtücke: boosaardigheid. Een onderdeel van die boosaardigheid is de argeloosheid van het slachtoffer in de momenten voordat hij wordt gedood.

De rechter concludeerde gisteren dat een verzetsman die ’s nachts door twee SS’ers wordt gevraagd uit een auto te stappen op een verlaten industrieterrein, ermee rekening had kunnen houden dat hij geliquideerd zou worden. Omdat het mogelijk is dat Dijkema voorvoelde wat hem ging overkomen, kan er van een veroordeling voor moord geen sprake zijn, concludeerde de rechter. Doodslag is wel bewezen, maar verjaard. De rechter geloofde niet dat Dijkema op de vlucht was neergeschoten, zoals Bruins en zijn mededader na de oorlog beweerden.

Wanneer begon het doden?

Bruins begreep aanvankelijk niet wat het oordeel inhield, maar zijn advocaat Klaus-Peter Kniffka maakte hem dat duidelijk. Na afloop toonde Kniffka zich tevreden. „Ik had gepleit voor vrijspraak, omdat ik niet bewezen acht dat Bruins Dijkema heeft doodgeschoten. Maar dit is ook een goed resultaat. Ik ga niet in beroep.”

Officier van justitie Andreas Brendel weet nog niet of hij hoger beroep aantekent. Hij heeft een week de tijd om daarover te beslissen. Brendel was van mening dat Dijkema wél argeloos was. „In mijn bewijsvoering liet ik de reeks van gebeurtenissen die leidden tot zijn dood beginnen op het moment dat hij uit zijn cel werd gehaald. Toen kon hij niet weten wat hem zou overkomen. De rechter oordeelt dat er tussen dat moment en het moment waarop Dijkema werd doodgeschoten momenten waren waarop hij kon gaan vermoeden wat hem te wachten stond. We zitten dus met een ingewikkeld juridisch probleem: wanneer begon de handeling van het doden van Dijkema?”

Christina Ullrich, historicus aan de universiteit van Marburg, publiceerde in 2011 een boek over de juridische en maatschappelijke omgang met nazi’s in het Duitsland van na de oorlog. De manier waarop de vervolging van oorlogsmisdadigers ter hand is genomen, noemt ze telefonisch „meer dan pijnlijk” voor de Duitse justitie. De uitspraak in de zaak tegen Siert Bruins bestempelt ze als „bijzonder legalistisch”. „Als historicus, en als mens, vind ik dit oordeel niet te begrijpen.”

Ook bij rechtszaken in het verleden kwamen moordenaars vaak om moeilijk te verkroppen redenen vrij, zegt Ullrich. „In een proces tegen een lid van de Einsatzgruppen, die achter het Oostfront honderdduizenden mensen hebben gedood, besliste een rechter dat de massa-executie van Joden niet grausam (wreed) was. Dat is ook een vereiste om iemand voor moord te kunnen veroordelen. Volgens de rechter waren de op de dood wachtende mensen geestelijk al zo afwezig, dat ze het gebeurde niet meer bewust meekregen.”

De rechter in Hagen legde er gisteren in haar vonnis de nadruk op dat ze graag getuigen had gehoord om meer duidelijkheid te krijgen over wat er precies gebeurd is op het fabrieksterrein in Appingedam waar Dijkema werd doodgeschoten. Maar die getuigen zijn er na 69 jaar niet meer. „Dat kun je zien als een verwijt tegenover de Duitse justitie”, zegt Ullrich. „Dat men vroeger steviger had moeten optreden. Maar op zich vind ik de nadruk op het belang van getuigen vreemd. In eerdere processen zijn getuigenissen regelmatig van tafel geveegd omdat ze na zoveel jaren niet meer betrouwbaar waren.”

Het lijk had de hand in de zak

Aldert Veldman, een neef van verzetsman Dijkema, volgde de uitspraak in Nederland. Hij reageert telefonisch teleurgesteld op de uitspraak. „De rechter denkt dat mijn oom niet argeloos was. Maar de politieman die zijn lijk aantrof, heeft verklaard dat hij zijn hand in zijn zak had. Wie loopt er nu met zijn handen in zijn zakken als hij weet dat hij geliquideerd gaat worden?”

Veldman had graag gerechtigheid voor zijn oom gezien, maar hij weet niet of hij wel wil dat de officier van justitie hoger beroep aantekent. „Dan begint het hele juridische gerommel weer opnieuw. Bruins heeft daar gezeten en moeten aanhoren wat hij heeft aangericht. Dat moet indruk op hem hebben gemaakt.”

Stephan Stracke, een Duits historicus die zich inzet voor de vervolging van de laatste nazi-oorlogsmisdadigers, hoopt wel dat het komt tot een hoger beroep. Hij stond gisteren te demonstreren bij de rechtbank. „De rechter zegt hier in feite dat het prima was dat de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog zonder vorm van proces verzetslieden liquideerden. Iedereen die in het verzet zat, had daarmee rekening kunnen houden. En dus was het geen moord. Dat is schandalig.”

En Siert Bruins? Die verliet gisteren zo snel mogelijk de rechtbank. Op vragen van journalisten wilde hij niet reageren. Met zijn twee zonen reed hij terug naar het dorpje onder Hagen waar hij woont. Hij schoot Aldert Dijkema in de rug, maar is geen moordenaar.