Opvoeden

‘Te veel lof van ouders kan verkeerd uitpakken’’, kopte Trouw. De krant had een artikel gekregen uit het komende nummer van vaktijdschrift Psychological Science. Wat bleek? Om het zelfvertrouwen van hun kinderen te bevorderen, prijzen veel ouders hen de hemel in. Dat zou averechts werken, hun faalangst neemt alleen maar toe. En het zijn toch al vooral de kinderen met weinig zelfvertrouwen die al die overdreven complimenten krijgen. Positief opvoeden noemen we dat, maar het pakt negatief uit.

Het bericht maakt moedeloos. Was ik in deze tijd een opvoedende ouder, dan zou ik zoveel faalangst krijgen dat ik maar een stel pleegouders voor mijn kinderen zou uitzoeken. Pa gelooft het wel. Hij heeft jarenlang de instructies van allerlei opvoedkundigen opgevolgd. Al die tijd kreeg hij van hen te horen dat je het „lage zelfbeeld” van je kind moest opkrikken met lieve complimenten. Nooit de zwakke kanten benadrukken!

En nu dit. In Psychological Science nog wel, „the highest ranked empirical journal in psychology”, zoals ze zichzelf op hun website complimenteren – hopelijk niet overdreven. Goed, het zijn psychologen, geen natuurkundigen, dus misschien denken ze er over tien jaar weer heel anders over, maar ondertussen zit je er als ouder maar mee.

Of je maar even wilt kiezen uit al die tegenstrijdige adviezen. Bij slimme kinderen met een goede instelling is er niets aan de hand – die komen er toch wel. Het wordt pas lastig bij al die kinderen – de meerderheid - die wel ijverig zijn, maar niet zoveel verstand hebben, of andersom. Waar moet je aanmoedigen en waar tegenhouden? Wanneer verkeert controle in schrikbewind?

Ik dacht aan mijn eigen ervaringen – als kind en als ouder. Mijn moeder was positiever ingesteld dan mijn vader. Bij haar kreeg je met een zeventje al gauw een aai over je bebop. Mijn vader hield de lofprijzingen zo lang mogelijk in de mouw. Hij hechtte erg aan de tactiek van de Ergerniswekkende Aansporing. Die kwam hierop neer dat hij te pas, maar vooral te onpas, de prestaties van zijn kinderen vergeleek met die van de kwezelachtige jongens van een kwezelachtige buurman, die met zijn gezin zo vaak naar de kerk ging dat de wierook uit hun oren kwam.

„Kijk eens naar de jongens X.”, zei mijn vader dan, „die zijn ijverig, doen de boodschappen, maken geen ruzie met elkaar en hangen nooit op de hoek.” Ik weet niet hoe het met de jongens X. is afgelopen. Misschien zijn het oppassende burgers geworden, maar dat zijn de jongens A. toch ook, al wilden ze voor geen geld de jongens X. nadoen?

Zelf hield ik als opvoeder maar het veilige midden aan: een complimentje hier, een bezorgd duwtje daar. Had ik harder moeten duwen? Ik las de afgelopen weken het een en ander over de schrijvers W.F. Hermans en Redmond O’Hanlon – en ik was weer eens blij dat ik het niet gedaan had. Hermans heeft een levenslange wrok overgehouden aan zijn benepen opvoeding, O’Hanlon leerde zijn hardhandige moeder haten.

„Ghastly woman”, zegt O’Hanlon in Trouw. Ze sloeg hem met de achterkant van haar haarborstel als ze kwaad was. Zijn vader, een priester, werkte intussen door aan zijn preek. „Zo groeide ik op”, zegt O’Hanlon, „in de wetenschap dat ze je het ene moment bewusteloos kunnen slaan en je het volgende moment komen troosten.” Hij lijkt er nog steeds niet overheen.

Opvoeden is doen wat redelijk is. Of het gelukt is moet je afwachten.