Nederland tien topmusea rijker

Hij noemt het Circle Line Musea. Jaap Polak droomt van tien topmusea in een wijde cirkel rond Amsterdam. Ons beste glas in Leerdam, het mooiste porselein in Leeuwarden en de realistisch kunst naar Arnhem.

In Nederland zou het allermooiste glasmuseum ter wereld kunnen staan. En het beste keramiekmuseum, en een textielmuseum dat zijn gelijke niet kent, en een weergaloos museum voor toegepaste kunsten, en een volkenkundig museum dat kan wedijveren met Musée du Quai Branly in Parijs. Er zouden wel tien nieuwe, of sterk verbeterde musea te realiseren zijn. Musea die het cultuurtoerisme stimuleren en een economische impuls geven aan de (provincie)steden waar ze onderdak krijgen.

Aan het woord is Jaap Polak, kunsthandelaar te Amsterdam. Hij droomt hardop van zijn Circle Line, een reeks gespecialiseerde musea die als een ring rondom de hoofdstad komen te liggen. De benodigde kunstvoorwerpen voor zijn gedroomde musea zijn er, zegt Polak. „De Collectie Nederland is ongekend rijk. Probleem is alleen dat de voorwerpen verspreid zijn over tal van musea en oudheidkamers. Voor een klein land hebben we te veel musea. Dat heeft geleid tot versnippering van kunst en kennis.”

Hoog tijd voor een landelijk beleid, zegt Polak, „voor het optimaliseren van ons kunstbezit”. Hij zit met een kaart van Nederland voor zich aan een antieke tafel in zijn kunstpakhuis aan de Spiegelgracht. Enthousiast vertelt hij over zijn bezoek aan het glasmuseum in Corning, een stadje met 12.000 inwoners in de staat New York. „Het Corning Museum of Glass is toonaangevend in de wereld. Vierhonderdduizend bezoekers per jaar, fantastische publicaties. Ons Nationaal Glasmuseum in Leerdam valt daarbij in het niet. Daar begint de glasgeschiedenis ook pas bij 1850. Maar wat nou als we de gestippelde, achttiende-eeuwse glazen van graveur Frans Greenwood uit het Haagse Gemeentemuseum naar Leerdam verplaatsen, net als de Hedwigbeker uit het Rijksmuseum? Breng onze topstukken bij elkaar in Leerdam en je kunt een glasmuseum maken van het niveau van dat in Corning.”

Wijzend op de kaart tekent Polak zijn gedroomde Circle Line: in Hoorn een museum gewijd aan de VOC-geschiedenis, in Leeuwarden („Of toch in Delft? Lastige keuze”) een keramiekmuseum met het mooiste Delftse en Chinese aardewerk en het fijnste Japanse porselein. In Assen komt een archeologiemuseum, in Eindhoven een groot designmuseum. De fijnste textiel, tapisserieën en gobelins uit het nationale kunstbezit gaan naar het TextielMuseum in Tilburg. En het Volkenkundig Museum in Leiden wordt het Nederlandse Branly, met de hoogtepunten van Afrikaanse en Aziatische kunst uit het Wereldmuseum in Rotterdam, het beste uit het Tropenmuseum in Amsterdam en het Afrika Museum in Berg en Dal.

Luidt zijn plan niet het einde in van sommige musea? Polak glimlacht. „Vier fotomusea, drie maritieme musea, vier musea voor volkenkunde – voor zoveel musea is ons land te klein. Het is goed dat onze militaire musea binnenkort gaan fuseren. Gedwongen door economische omstandigheden verkleinen bijna alle musea hun staf. De mode is nu expertise van buiten inschakelen, gastcuratoren. Door de krachten te bundelen, bibliotheken samen te voegen, kunnen musea weer specialisten in dienst nemen en weer werk maken van hun rol als kennisinstituut.”

Zijn plan zal bij de grote, algemene musea slecht vallen, verwacht Polak. „Wim Pijbes wil me vast nooit meer zien.”

Maar die grote musea hoeven niet alleen topstukken af te staan, blijkt uit Polaks plannen. „Als we het Rijksmuseum bestempelen als hét museum voor onze schilderkunst, dan ligt het voor de hand om De verloren zoon van Jeroen Bosch uit het Boijmans te verhuizen naar de eregalerij in Amsterdam. De beste werken van surrealisten gaan daarentegen naar Rotterdam.”

Door uitruil kunnen veel musea naar een hoger niveau worden getild, zegt Polak: de Willinks uit het depot van het Stedelijk Museum in Amsterdam naar Arnhem, waar je van het Gemeentemuseum een museum voor realistische schilderkunst maakt. De maniëristen naar Haarlem, de religieuze kunst naar Utrecht.

En hoe hoger de kwaliteit van een museum en hoe meer kennis er voorhanden is, hoe inniger het contact met particuliere verzamelaars zal worden, voorspelt Polak. „Collectioneurs zullen eerder willen uitlenen en eerder bereid zijn om stukken te legateren.”

Samenwerking

Een jaar geleden wees de Museumvereniging op de noodzaak van samenwerking en in februari bracht de Raad voor Cultuur een vergelijkbaar advies uit aan minister Bussemakers (Cultuur, PvdA). Met zijn voorstel tot verregaande collectiemobiliteit gaat Polak nog een stap verder: „Het algemene belang staat voorop. Het niveau van onze musea verbeteren en de provincie openbreken, dáár gaat het om. Iedere Chinese toerist die op Schiphol landt, moet straks naar het keramiekmuseum in Leeuwarden willen om daar ons mooiste Chinese aardewerk te bewonderen.”

En hoe worden de plannen gerealiseerd, de topstukken verplaatst en de nieuwe musea gebouwd? Polak: „Over geld wil ik niet praten. Maar als we nieuwe jachtvliegtuigen kunnen kopen, kunnen we ook musea bouwen.”

Het beste, zegt de kunsthandelaar, is een commissie van wijze mensen vormen. „En voor alle duidelijkheid: die wijze mensen vind je in musea, niet onder antiquairs.”