Met dat vuurwerk is vrijheid best nog duur

Niet eens zo heel lang geleden ben ik naar België gereden om vuurwerk te kopen. Ik was in de buurt, dat zeg ik erbij, maar toch. Met vrienden heb ik nieuwjaarsvuurwerk afgestoken op het terras van een Frans restaurant, in de regen, terwijl de autochtone gasten vanachter hun dessert toekeken alsof we geestelijk gestoord waren. Eén keer kroop ik door het oog van de naald, toen een vuurpijl horizontaal wegschoot en op een haar na een van de kinderen raakte.

De laatste jaren is mijn animo gezakt, ik denk omdat er steeds meer voortijdig vuurwerk is. Als Oudjaar komt, heb ik mijn buik al vol van het lukrake geknal. Het wordt ook steeds harder, dankzij de halvegaren die naar België rijden voor extra zwaar spul en dankzij het internet, weten we nu, waar je ikweetnietwat kunt bestellen en een dag later komt de postbode het vriendelijk aanreiken.

Een verbod op vuurwerk heb ik lang beschouwd als een onliberaal idee bij uitstek. Als een klassiek voorbeeld van de Nanny State, van intolerant moralisme en groenlinkse tuttelzucht. Dat je ergens de lol niet van inziet, hoeft nog geen reden te zijn het te verbieden. Láát mensen.

Soms wordt als argument gebruikt dat vuurwerk een atavisme is, een overblijfsel van toen we nog in boze geesten geloofden en dergelijke, maar ik ben geneigd om te zeggen: juist daarom moet je het koesteren. In een gerationaliseerde, hoogtechnologische beschaving wordt zo’n antiek ritueel alleen maar sterker. Honderdklappers, vervaardigd naar eeuwenoud ontwerp, besteld per glasvezel, rond de wereld gevlogen door DHL, in bubbeltjesplastic met barcode. De vuurpijl gereflecteerd in een glazen kantoortoren – toekomst ontmoet prehistorie. Boze geesten bestaan niet, maar je weet nooit.

En de risico’s? Elk verloren oog is een tragedie, maar onze neurobiologie maakt nu eenmaal dat ‘leuk’ en ‘gevaarlijk’ hand in hand gaan. Risico’s uitbannen is het leven saai en voorspelbaar maken. Straks zitten we ons heel veilig, heel gezond, heel oud, te pletter te vervelen. De overheid kan proberen de schade te beperken met regels en voorlichting, de rest is persoonlijke verantwoordelijkheid.

Maar nemen we die ook? De Kerst moest nog komen, voor de deur bij een openbaar gebouw waar ik vaak langskom hing een groep jongens vuurwerk af te steken. Er stond een grote gemeentelijke afvalbak, maar de omgeving was bezaaid met wikkels. ‘Dat vuurwerk is één ding,’ zei ik, ‘maar jullie kunnen die wikkels toch wel in de bak gooien?’

‘Daddoedegemeende!’ riep een slungel in sweats en een hoody.

‘Sorry, wat zeg je?’

‘Moedegemeendedoen!’

De gemeente moest het doen, vond men, maar ik had het sterke vermoeden dat als op dat moment iemand van de gemeentereiniging was verschenen om aan die verwachting te voldoen, hij op z’n minst een zevenklapper naar zijn hoofd had gekregen, zoals in de nieuwjaarsnacht ook weer tal van brandweerlieden en ambulancebroeders gemolesteerd werden toen zij de brand kwamen blussen en de gewonden verzorgen. Yolo!

Toen Pieter Broertjes, burgemeester van Hilversum, vorig jaar pleitte voor een vuurwerkverbod, werd hij nog uitgelachen, nu is een meerderheid van zijn ambtsgenoten het met hem eens, dus zo’n verbod zal er wel komen. De liberaal in mij is het er niet mee eens, maar waarschijnlijk kan het inderdaad niet anders. Het is dat of brandweertanks en pantserambulances. Vrijheid is leuk, maar best nog duur.

Zo loopt het neoliberale feest langzaam ten einde. Vuurwerk wilden we, en vuurwerk kregen we. Financieel vuurwerk, digitaal vuurwerk, politiek vuurwerk. Alles moest knallen en fluiten en flitsen, en de straten kleurden rood. Maar de een z’n klapper is de ander z’n blauw oog.