Interview Als je deze man ziet als rolmodel, is er iets mis met je

„Leo bleef maar komen, en komen, en komen met dat script. Gelukkig vond hij buiten de studio’s om geld voor een film waarin Jordan Belfort aan het eind geen enkel berouw toont voor zijn zonden. Welnee! Verkracht het land, plunder de wereld!”

Hahaha! Martin Scorsese (71) schatert het uit. Zoals hij dat vaak doet in New York, waar hij interviews geeft over zijn nieuwe film The Wolf of Wall Street met een hoofdrol voor Leonardo DiCaprio. Niet alleen omdat hij goedgemutst is: Scorsese lijkt zo te onderstrepen dat zijn film, drie uur hysterische speeches, drugsroes en slapstick, een komedie is. Ko-me-die!

Dat is geen overbodige luxe, want sommige journalisten lijken wat beduusd. Als dit een aanklacht tegen Wall Street is, waarom oogt de levensstijl van schelm Jordan Belfort dan zo aanstekelijk, en volgt straf, inkeer noch berouw?

Belforts bedrijf, Stratton Oakmont, was in de jaren negentig, de hoogtijdagen van het neoliberalisme, een klassieke ‘boiler room’ op Long Island vol semigeletterde verkopers die zich voordeden als Wall Street-insiders. Met machopraatjes – elke pitch doorspekt met fuck, balls en pussy – splitsten ze beleggers waardeloze aandelen in de maag. Een mateloze film van drie uur over een mateloze subcultuur. Maar zie je Belfort als rolmodel, dan is er iets mis met je, vindt producent Riza Aziz. Martin Scorsese, die Belfort vooraf bewust niet wilde ontmoeten, schildert hem af als puberale, gedrogeerde clown. Niet bepaald de imposante roofbaron Gordon Gekko uit Wall Street (1987), die onbedoeld rolmodel werd voor een generatie zakenbankiers.

Scorsese zelf bevestigt dat hij The Wolf als onderdeel ziet van een cyclus. Epische films over een Amerika dat geobsedeerd is door status, geld en winnen, bevolkt door gewetenloze narcisten die geld veel liever nemen dan verdienen: met geweld (Goodfellas, The Departed), bedrog (The Wolf, The Color of Money) of gokken (Casino). „Geld winnen is twee keer zo lekker als geld verdienen”, stelt Paul Newman in The Color of Money. En al die antihelden opereren in een grijze zone tussen onder- en bovenwereld, waar misdaad en macht samen de tandwielen van de hebzucht smeren.

Wat Martin Scorsese toch zo boeit aan die louche kerels? „Belfort heeft enorm veel charme en talent”, zegt Scorsese. „Een talent dat hij alleen gebruikt om anderen te schaden. Dat is geen gebrek aan scrupule, hij beweegt zich gewoon in een amoreel landschap. De con man, de oplichter die misbruik maakt van vertrouwen, fascineert me mateloos. Ze bedriegen je zonder berouw omdat manipulatie in hun ogen een kunst is. Amerika is een land waar ze je vanaf elke beeldbuis, op iedere straat iets aansmeren.”

Is dat een speciaal type mens?

„Nee, dat zit in ons allemaal. Die wil om te winnen ten koste van anderen voedt het zakenleven, maar kan zo je vriendenkring en gezin binnensluipen. Het is grof en angstwekkend, maar zo zijn we.”

Maakt u zich er nooit druk over of het publiek wel met uw antihelden meegaat?

„Ik maak al films sinds 1963 en krijg die vraag al een halve eeuw. Waarom zo’n onsympathieke held? Mijn ervaring is: als toeschouwers na twintig minuten nog niet zijn opgestaan, zijn ze op zijn minst geïnteresseerd. En gaan ze ook met het personage mee. Want ik maak het best amusant. Zelfs Taxi Driver is entertainment, toch? Hoe kan je ooit om een nare vent als Travis Bickle geven? Maar scenarioschrijver Paul Schräder voelde iets voor Travis, en ik, en Robert de Niro. Je pusht en pusht en hoopt er maar het beste van. Ik weet niet hoe het anders moet.”

U hield The Wolf of Wall Street lang af. Waarom?

„Ten eerste omdat ik twijfelde of ik het fysiek nog kon. Ik wilde u Belforts levensstijl niet alleen tonen, maar vooral laten voelen. De film is bewust in blokken opgebouwd: een blok coke-achtige hysterie, dan een trance veroorzaakt door de slaappil quaalude, dan weer aanzwellende paniek. Zoals Belforts leven. Dat vereist een energie op de set die voor een oude man heel erg vermoeiend is.”

The Wolf is soms slapstick. Dan slinken de kansen op een Oscar.

„Dat dwergwerpen zal ook wel niet helpen. Films maken wordt saai als je je om dat soort zaken druk maakt. Kom op zeg, die slapstickscène als Belfort een overdosis quaaludes neemt: dat is toch hilarisch? Je bent idioot stoned, in paniek en woedend, maar krijgt niks gedaan.”

Is dit de laatste film in uw serie over de onderbuik van Amerika?

„Ik weet het niet. Ik heb de Amerikaanse cultuur erg zien veranderen sinds de jaren vijftig. Toen ik jong was, leerden we dat het draaide om het grijpen van je kansen en het streven naar geluk. Om vrijheid en individualisme. Dat botst soms met de gemeenschap, maar daar vallen compromissen te sluiten.

„Goed, zelf greep ik mijn kansen, maar de afgelopen 35 jaar zag ik een cultuur ontstaan waarin geld het enige waardevolle streven is, de enige maatstaf van succes. Dat is een cultuur die Jordan Belforts voorbrengt. Voed je kinderen op met alleen junkfood, dan lusten ze niks anders meer. Echt eten wordt vies.

„Ik groeide op in The Lower East Side van Manhattan, waar het leven miserabel was, maar waar op elke straat verse groente te koop was, en waar viswinkels waren, en drie slagerijen. Je at nooit McDonald’s of voorverpakt eten, alles was echt. Nu kom ik in die straten en is er niks, een vacuüm. Alles is nep en voorverpakt en chemisch en smaakloos. Dat maakt mij boos, dat maakt mij razend. Die woede smijt ik op het grote scherm.”

Scorsese hapt even naar adem: ongemerkt is hij in een tirade vervallen. Hij lacht nog maar eens luid. Hahaha. „Nou, zo had ik The Wolf of Wall Street dus bedoeld. Ik hoop dat het overkomt.”