Disney, maar dan een eeuw eerder

Het Sieboldhuis in Leiden toont de houtsneden van Utagawa Kuniyoshi (1797-1861). De Japanse prentkunstenaar inspireert nog altijd vele strip- en tekenfilmmakers.

De laatste Nederlandse tentoonstelling van de kleurenhoutsneden van Utagawa Kuniyoshi was in 1997 in het Van Goghmuseum. In 2009 was er een overzichtstentoonstelling in de Royal Academy in Londen en volgend jaar komt er een in het Petit Palais in Parijs. Maar intussen zijn er nu 135 puntgave prenten van Kuniyoshi te bekijken in het Sieboldhuis in Leiden. Waarin een klein museum groot kan zijn.

Want een klein museum is het. De tentoonstelling is zelfs in twee afleveringen opgesplitst. Voor de eerste – met prenten van krijgers, spoken en mooie vrouwen – moet u snel zijn: die duurt nog maar tot 19 januari. Daarna wordt er gewisseld en komen er zo’n zeventig landschappen, komische prenten en houtsneden van kabuki-acteurs te hangen. Stuk voor stuk uitmuntende drukken, afkomstig uit de privécollectie van een Japanse kunsthandelaar. Zo’n handelaar verkeert in de ideale omstandigheid om zijn Kuniyoshi-verzameling steeds te blijven verbeteren: komt er van een bepaalde houtsnede een gaver exemplaar langs dan hij had, dan verkoopt hij zijn oude afdruk en houdt de nieuwe.

Uit de eerste aflevering van Helden, humor, horror blijkt meteen dat Kuniyoshi (1797-1861) tot de meest veelzijdige en originele Japanse prentkunstenaars van de negentiende eeuw behoort. Zijn soepele vormen en surrealistische scènes lopen vooruit op onze strips en animatiefilms. Zie de handgebaren met elastische vingers, zie de grappig-griezelige monstertjes en demonen, zie de dieren die zijn uitgedost als mensen. Aangeklede, rechtop zittende katten hebben op hun beurt kleine huisdieren: het Goofy-en-Pluto-verhaal, maar dan een eeuw eerder.

Vernieuwend in zijn tijd was dat Kuniyoshi vaak triptieken ontwierp van drie houtsneden met een doorlopende voorstelling, oftewel enorme prenten die uit drie delen zijn opgebouwd. Meestal zijn dat horizontale drieluiken. Soms ook zijn ze verticaal, zoals de voorstelling van de monnik Mongaku die, bij wijze van boetedoening, midden in de winter onder een waterval zit te bidden. We zien hem op de zevende dag, als hij zijn bewustzijn verliest en te hulp wordt geschoten door twee halfgoden die aan hedendaagse tekenfilmhelden doen denken. (Vandaag de dag zouden er plastic actiefiguurtjes van in omloop zijn.) De ene halfgod zweeft bovenin het drieluik op een wolkje voor de waterval; de andere is al in de onderste houtsnede bij de monnik. In de prent daartussenin valt alleen maar water omlaag. Verticale banen in verschillende tinten blauw. Die banen lijken geschilderd, met meer of minder verdunde waterverf, maar ze zijn toch echt uit hout gesneden, ingeïnkt en op papier gestempeld.

Nog aquarelachtiger oogt het water in een andere prent, waar een oersterke man een snel stromende beek tegenhoudt. Het halfdoorzichtige blauw vloeit mooi over zijn handen en voeten en contrasteert met de scherp getekende tatoeages op zijn rug. Uit het water springen forellen op.

Een topstuk in Leiden is het tamelijk zeldzame drieluik met de zwaardvechter Miyamoto Musashi die een gigantische walvis te grazen neemt. Het beest past ternauwernood op de drie bladen. Het figuurtje op zijn rug staat heldhaftig te doen met een zwaard, maar is naar verhouding klein en kwetsbaar. Houd je maar eens staande, op zo’n glibberig gevaarte in de woelige baren.

De walvis en het opspattende water zijn weer geweldig mooi gemaakt. Levensecht en decoratief tegelijk. De walvissenhuid: keiharde witte stippen in het zwart, boven een – alweer – schilderachtig zachte overgang van zwart naar wit. De golven: zo deinend dat je er haast zeeziek van wordt, met hier en daar een voorzichtig schuimkopje. In prenten als deze zie je wat Kuniyoshi technisch vermocht.

Alhoewel, Kuniyoshi? De verbluffende techniek is vooral het aandeel van de anonieme ambachtsmannen die zijn ontwerp in planken sneden – één voor elke kleur – en daar een oplage van drukten. Want vergeet niet dat Kuniyoshi eigenlijk een soort merknaam is. Achter iedere houtsnede gaat een viermanschap schuil: de uitgever (die meestal met het onderwerp voor de prent kwam), de ontwerper (Kuniyoshi zelf), de houtsnijder en de drukker.

Voor de hand van de meester moet u in het Rijksmuseum Volkenkunde zijn, ook in Leiden, waar tot en met 22 juni een selectie uit Kuniyoshi’s tekeningen wordt tentoongesteld. Het museum heeft een grote collectie van zijn schetsontwerpen, onder andere voor kleurenhoutsneden die nu in het Sieboldhuis hangen. Maar zelfs die tekeningen zijn maar voorstudies. De allerlaatste, definitieve ontwerpen voor de prenten gingen verloren bij het snijden van de houtblokken. Kuniyoshi’s belangrijkste eigenhandige werk bestaat niet meer.