Vierkant uit de markt geprijsd

Aluminiumproducent Aldel in Delfzijl ging mede ten onder door de veel lagere stroomprijs in Duitsland. Hoe kunnen de tarieven tussen twee buurlanden in de EU zo uiteenlopen?

Aldel in Delfzijl, dat eind december faillissement aanvroeg. Minister Kamp sluit meer financiële steun van de overheid uit. Foto ANP

Had Aldel nou maar goedkope Duitse stroom kunnen aftappen, dan had de aluminiumproducent in Delfzijl niet failliet hoeven gaan. Een direct lijntje van een paar kilometer naar een Duitse energiecentrale had het verschil kunnen maken tussen winst en verlies, tussen een baan en werkloosheid voor de 350 werknemers van Aldel, en de wijde kring van toeleveranciers eromheen. Maar niemand wilde de kosten voor de aanleg op zich nemen.

Volgens durfkapitalist en Aldel-eigenaar Gary Klesch is er sprake van oneerlijke concurrentie door Duitse bedrijven. De vraag in hoeverre Klesch zelf verantwoordelijk is geweest voor de teloorgang van Aldel in Delfzijl, wordt nauwelijks gesteld. Het circus-Klesch reist verder op zoek naar nieuwe investeringen. Delfzijl blijft geslagen achter.

Maar ook de vakbeweging legt de schuld voor het faillissement voor een deel bij de dure stroom in Nederland. Gelijksoortige bedrijven aan de Duitse kant van de grens betalen tot 35 procent minder voor elektriciteit. En als er tussen twee buurlanden zulke grote verschillen bestaan in de stroomprijs, is er natuurlijk wel een probleem. Nederlandse bedrijven die net als Aldel veel energie verbruiken, maken zich grote zorgen over de relatief hoge Nederlandse elektriciteitsprijs .

Eind 2011 liepen de stroomprijzen op de energiebeurzen van Duitsland en Nederland nog nagenoeg gelijk. Op de Nederlandse spotmarkt, waar de dagprijzen gelden, kost een megawattuur (MWh) op dit moment 47 euro. Dat is ruim 17 euro meer dan in Duitsland. Ook op de termijnmarkt groeien de verschillen.

Belangrijkste reden is volgens Hans Grünfeld, directeur van de VEMW, een belangbehartiger van zakelijke energieafnemers, dat de Duitse energiecentrales vooral steenkool en bruinkool stoken om stroom op te wekken. Dat is goedkoper dan het gas dat in Nederland meestal gebruikt wordt. Ook de ‘Energiewende’ in Duitsland draagt door de massale installatie van zonnepanelen en windparken bij aan het prijsverschil, stelt Grünfeld. „Vooral op de spotmarkt wordt op dagen dat het hard waait en de zon schijnt, veel goedkope stroom aangeboden. Soms zelfs tegen negatieve prijzen.”

Dat prijsverschil op de verschillende beurzen zou op zich geen probleem hoeven zijn. De Europese markt zou perfect kunnen werken als Nederlandse bedrijven flink zouden kunnen inkopen op de Duitse beurs. En dat kunnen ze in principe ook, maar dan moet er wel capaciteit zijn om al die stroom naar Nederland te vervoeren. En die is er ondanks de inspanningen van netbeheerder Tennet om nieuwe grensoverschrijdende verbindingen aan te leggen, nog niet. Uitbreiding van het hoogspanningsnetwerk over de grenzen staat dan ook hoog op de Europese agenda. En gezamenlijk beleid. Want verschillen in subsidiebeleid in de lidstaten maakt de concurrentiepositie van de Europese industrie tegenover Azië en de Verenigde Staten er ook niet bepaald beter op.

Ook hier is het verschil tussen Duitsland en Nederland veelzeggend. Berlijn steekt jaarlijks tientallen miljarden euro in verduurzaming. Met de Energiewende neemt het land afscheid van kernenergie en streeft naar zoveel mogelijk duurzame energie.

De kosten voor die ommekeer worden doorberekend aan de consumenten via een toeslag op de energierekening. Dat leidt ironisch genoeg tot een eindprijs voor de consument die – ondanks de lagere basisprijseen kwart hoger ligt dan in Nederland.

Althans in principe. Het duurzaamheidsbeleid leidt er namelijk ook toe dat consumenten die zelf groene energie produceren, deze toeslag niet hoeven te betalen. En de Duitse industriepolitiek leidt ertoe dat de grote energieslurpers (zware industrie) die ook niet hoeven te betalen.

Waarmee het land op de rand balanceert van de Europese mededingingsregels. De Europese Commissie is in december een onderzoek begonnen naar de vraag of de regering-Merkel zich schuldig maakt aan staatssteun. Het is niet denkbeeldig dat Duitsland op de vingers zal worden getikt.

Minister Kamp van Economische Zaken (VVD) voert via de stroomrekening een voorzichtig eigen industriebeleid. Sinds 1 januari krijgen de grote energieverbruikers dezelfde kortingen op het transport van energie (tot 90 procent) als in Duitsland. Bovendien vergoedt de overheid een deel van de emissiekosten die de bedrijven moeten betalen. Maar verder wil Kamp niet gaan, zo liet hij de werknemers van Aldel weten die deze week in Den Haag verhaal kwamen halen. Kamp wil zich niet schuldig maken aan ‘ongeoorloofde staatssteun’.

En dat is volgens sommigen precies waar het om gaat op de manke Europese energiemarkt: wie doet de beste zaken? Het braafste jongetje van de klas dat vooraf om toestemming vraagt, zoals Nederland. Of degene die feiten creëert en achteraf iets regelt als dat nodig is, zoals Duitsland?