‘The Congress’ barst uiteen als een psychedelische explosie van ideeën

Zo strak gecomponeerd als Waltz with Bashir was, de animatiefilm over de Libanese Burgeroorlog van 1982 waarmee de Israëlische regisseur Ari Folman in 2008 in één klap zijn naam vestigde, zo losjes laat hij in opvolger The Congress de teugels vieren. De verfilming van Stanislav Lems sciencefictionverhaal Het futurologische congres (1972) is een mix van live action en traditionele, zelfs een beetje retro aandoende 2D-animatie. En barst als een psychedelische ideeënexplosie uit elkaar.

Het begint allemaal in de werkelijkheid – al is in een film als The Congress er natuurlijk alles aan gelegen om je te laten af te vragen wat werkelijk is. Is de actrice Robin Wright die in The Congress de actrice Robin Wright speelt, wel echt Robin Wright? En wie is zij als zij haar beeltenis laat scannen, zodat men in de toekomst films met haar kan maken, zonder dat zij daar zelf nog voor nodig is? Kun je fysiek oud worden als je in de digitale, virtuele filmwerkelijkheid de eeuwige jeugd bezit?

Lems satire op het communistische totalitarisme is in de handen van Folman een speelse aanklacht tegen een niet minder dictatoriale vermaaksindustrie. Maar er zitten ook filosofische Droste-effecten in die doen denken aan de cycli van transformatie en wedergeboorte uit Japanse anime als Spirited Away en Paprika.

Folman is beslist niet in al zijn doelen geslaagd. Het regisseren van acteurs van vlees en bloed gaat hem stukken minder af dan het tevoorschijn toveren van zijn animatiedromen. Zijn symbolen en metaforen doen soms weinig verfijnd aan (vliegers, een kind met Usher-syndroom dat langzaam doofblind wordt). Pas in het tweede deel van de film kun je je echt verliezen. Dat onttrekt zich aan elke vorm van classificatie, is visionair en trippy als een gevaarlijke cocktail van de werelden van Yellow Submarine van The Beatles en George Dunning en die van ‘duvelmakere’ Jheronimus Bosch.

Dana Linssen