Column

Positivisme

Gaat het dit jaar beter dan vorig jaar? De meeste economische prognoses beloven van wel: ze schommelen nu rond de 0,5 procent voor de groei van de Nederlandse economie in 2014. Belangrijker dan het gemier achter de komma is de richting. En die is positief. Of dat werkelijkheid wordt, hangt af van een onnoemelijke hoeveelheid invloeden, waarvan de meeste internationaal zijn en buiten onze invloedssfeer.

Maar er zijn ook puur binnenlandse invloeden en mechanismen, waar we zelf bij zijn.

De stemming is niet slecht. Uit de jongste editie van de kwartaaluitgave Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt een zeer sterke stijging van het percentage Nederlanders van 18 jaar en ouder dat een gelijke of betere economie verwacht. Van 45 procent in het derde kwartaal naar 60 procent in het vierde kwartaal. Ook het aantal mensen dat een gelijke of verbeterde eigen financiële situatie verwacht gaat verder omhoog, naar 72 procent.

Maar hoe groot is nu de kans dat, onvoorziene gebeurtenissen daargelaten, al dat gegroeide vertrouwen ook wordt omgezet in actie? Zonder dat ik de indruk wil wekken compleet te zijn, valt een aantal puur binnenlandse factoren aan te wijzen dat een opwaartse spiraal in gang kan zetten en de economie zich aan de eigen schoenveters uit het moeras kan laten trekken.

Münchhausen-factor 1 is de inkomensgroei. Die komt er, zoals de voorspellingen nu luiden, niet of nauwelijks. Maar een sterker dan verwachte ontwikkeling van de werkgelegenheid, of een grotere loonstijging dan verwacht, kunnen een opwaartse spiraal op gang brengen. Politieke stabiliteit is de tweede Münchhausen-factor: na jaren van bezuinigingen, tussentijdse akkoorden en gewankel met een al dan niet gedoogd virtueel minderheidskabinet, wil de burger weten waar hij of zij aan toe is. Opvallend in het SCP-onderzoek is dat, samen met het vertrouwen in de economie, ook het vertrouwen van de burger in ‘de politiek’ niet langer afneemt. Hier is een voorzichtige samenhang waar te nemen met de conjunctuur: de recente piek van het vertrouwen in de politiek, tweede kwartaal van 2011, valt samen met de conjuncturele opleving van destijds. Een betere economie kan leiden tot meer vertrouwen (of beter: minder wantrouwen) in de politiek, meer kans op politieke stabiliteit en weer een betere economie.

De verkiezingen voor het Europese Parlement in mei worden daarvan een goede stemmingsmeter. Daarmee samen hangt Münchhausen-factor-3: de begrotingsdynamiek. Een betere economie vermindert de kans op nieuwe bezuinigingen. Dat is weer extra goed voor de groei.

En dan is er Münchhausenfactor-4: de huizenmarkt. Tussen pakweg begin jaren 90 en vlak voor de crisis van 2008 was daar een ‘vermogenseffect’. Stijgende huizenprijzen deden de burger zich rijker voelen en leidden (al dan niet door verzilvering van de overwaarde) tot meer bestedingen. Dat vermogenseffect draaide vervolgens om met de prijsval op de woningmarkt na 2007 en drukte extra op de economie. Nu lijkt de bodem in zicht; in sommige steden lijken de prijzen zelfs wat te herstellen. Daardoor kan de druk wat minderen op al die huishoudens die nu ‘onder water staan’ en zorgt dat voor een psychologische boost.

Zou het kunnen dat meerdere van deze verschijnselen zich tegelijkertijd voordoen? Onwaarschijnlijk, maar waarom eigenlijk niet: ze hebben zich in negatieve zin ook alle vier tegelijk gemanifesteerd in de afgelopen jaren.