Ondertussen op kantoor

Elke week geeft Japke-d. Bouma onmisbare tips om te overleven op kantoor. Vandaag: we stoppen met klagen.

Veruit de meeste vragen die ik krijg in mijn kantoorjunglepraktijk, gaan over de nabijheid van collega’s. Hoe ermee om te gaan dat iedereen zo dicht op elkaar zit in de kantoortuin. Dat je je de hele dag ergert aan collega’s die kauwgom kauwen, spontaan lulverhalen tegen je aan gaan zitten kletsen, die neuspeuteren, veel te hard lachen, ‘niezen met spetters’ en nogal stinken terwijl JIJ PROBEERT TE WERKEN. Ze hebben alles al geprobeerd, zeggen ze er dan vaak bij. Van koptelefoons, schotten tussen de bureaus en vriendelijk afwijzend glimlachen tot ontploffen, ijzig kijken en chloroform. Maar niets helpt tegen de constante terreur van collega’s. Of ik daar iets op weet.

Dat is nogal een vraag, lieve vrienden. Het is als vragen aan de pastoor wanneer de kerk kan worden afgebroken. Aan de oppasser wanneer de dieren weer mogen worden vrijgelaten. Alsof al het moois wat er groeit en bloeit in een kantoortuin moet worden uitgeroeid. De nabijheid van collega’s ís de kantoortuin.

Daarom wil ik deze week iets strenger zijn dan normaal en geen vrijblijvende tip maar een dwingend advies geven, namelijk: we stoppen met klagen over de kantoortuin. Zie het als een goed voornemen voor het nieuwe jaar. We wónen in die tuin, dus gaan we er ook léven. We hebben A gezegd door ons salaris te accepteren, nu zeggen we B met ons commitment.

We stoppen dus met dromen van een eigen kantoor, maar gaan juist díchter bij elkaar zitten. Een paar vierkante meter is genoeg voor honderd man. Samen op een stoel. Schermen delen. Om de beurt erop. We bouwen een grote open keuken met een barretje en een frituurpan. Recepten uitwisselen, samen koken. We zetten geen schotten tussen de pc’s, maar sanseveria’s. Geen koptelefoons maar gehoorapparaten en versterkers. We dragen geen truien meer, maar gaan bij elkaar op schoot zitten. We ergeren ons niet meer aan die neuspulkende collega, maar eten zélf zijn neus leeg. We wassen elkaars sokken en houden pyjamafeestjes. Slaapzakken uitrollen en luchtbedden oppompen.

En al die kantoorruimte dan, hoor ik vragen. Precies. Al die kantoorruimte. Die komt dus allemaal vrij. Niet bang voor zijn. In Nederland krijgen ook honderden kerken een nieuwe bestemming, zo gaat het ook met de kathedralen van de kantoorjungle: we ontmantelen die handel en maken er urban hostels in, ijsbanen, zwembaden en moestuinen. Biljartverenigingen. Curling. Koeien en paarden.

Maar bovenal vergeten we het idee dat er gewerkt moet worden op kantoor. Laat het los. Kantoor is niet voor werken. Ja, hooguit een paar uurtjes per dag: van ’s ochtends 6 tot half negen. En na zeven uur ’s avonds. De rest van de tijd is het gezelligheid geblazen. Eigenlijk hoef je maar twee dingen te onthouden over kantoor: 1: iedereen doet maar wat. En 2: werken doe je in je eigen tijd. Als je het niet af krijgt, neem je maar vakantie. Als je dat helder hebt, kan het grote genieten beginnen. Werken doe je maar thuis.