Mijn ouders kennen elkaar uit de tram

Laatst was ik ’s avonds laat in Antwerpen mijn auto kwijt. Ik had hem in een kleine parkeergarage gezet, in een achterafstraatje, dat ik nu niet meer kon vinden. Alle straten leken op elkaar en waren even verlaten. Tot ik hakken hoorde tikken op het trottoir aan de overkant. Een jonge vrouw, met witte oordopjes in.

Het was een lastige situatie, wist ik toen ik op haar afstapte. Uiteraard kon ze me onmogelijk anders zien dan als iemand die haar lastig kwam vallen. Daarom hield ik het parkeerkaartje met de garagenaam (‘Quellin’) opgestoken – alsof dat een officieel bewijs was dat ik haar niet in een steegje ging verkrachten.

Merkwaardig: een half uurtje eerder stond ik bij een borrel in een bibliotheek, waar ik iedereen vrijuit aansprak, en hier was diezelfde handeling pure intimidatie.

Dit weekend verwonderde redacteur Anouk van Kampen zich over al die mannen die haar op straat proberen te versieren, terwijl ze zouden moeten weten hoe kansloos dat is. Ik heb Anouk van Kampen voor zover ik weet nooit op straat proberen te versieren, maar in een vorig leven heb ik toch best eens incidenteel met relatief succes vrouwen aangesproken op een terras of in een museum.

Dat was overigens wel in Zuid-Europa, waar men de publieke ruimte veel meer als sociale ontmoetingsplek beschouwt. Mijn eerste vermoeden is dan ook dat Anouks straatversierders moeite hebben die dunne scheidslijn tussen publieke ruimte en ontmoetingsplek te zien. Waarom een terras wel en een tramhokje niet? Waarom ’s avonds laat op zoek naar een parkeergarage niet, en in een bibliotheek wel? Wat bijdraagt aan de verwarring: waarom op internet wel makkelijk contact en op straat niet? Sociale codes zijn complex en niet voor iedereen gelijk. Waarom in Florence wel en in Bilthoven niet? Mijn ouders hebben elkaar in een tram ontmoet.

Tegenover mijn Zuid-Europese successen staat overigens het veertienvoudige aan relatieve en minder relatieve mislukkingen. Maar die waren juist noodzakelijk! Op versiercursussen schijnen mannen ook op wildvreemde vrouwen af te moeten stappen in warenhuizen. Anouk, beschouw je straatversierders als cursisten die hun zelfvertrouwen trainen.

Mijn tweede vermoeden is dat straatversieren een biologische impuls is. Voor sommige mannen blijft dit bij een discrete blik, anderen moeten hun pauwenveren opzetten, anderen slaan aan het fluiten of knopen een praatje aan.

Slagen of niet-slagen is daarbij secundair. Alhoewel er nog altijd verhalen de ronde doen over vrouwen die willekeurige mannen uit supermarkten mee naar huis nemen om mee te neuken. Vermoeden drie: zolang de geruchten over haar bestaan, blijven mannen verbeten op zoek naar de nymfomane borderliner.

En is het allemaal zo smoezelig? Als je de films mag geloven ontvlamt de liefde niet zelden door figuren die op straat al dan niet letterlijk tegen elkaar aan botsen. Anouk wijst daar zelf al op. En François La Rochefoucauld schreef: „Er zijn mensen die nooit verliefd zouden zijn geworden als ze niet eerst over de liefde hadden gehoord.” Die uitspraak kun je vertalen in vermoeden vier: zolang er films als Notting Hill draaien, zullen mannen hopen op spontane ontmoetingen met ware liefdes.

De jonge vrouw in Antwerpen wees me de weg naar mijn auto. In mijn opluchting herkende ik een vroegere echo. Was het de triomf van het zelfvertrouwen? Een bevredigde biologische impuls? Vermoedelijk allebei. Maar het verdween toen ik na een paar honderd meter moest vaststellen dat ze me de verkeerde kant op had gestuurd.