Jodenclub

Net nu ik Peter Bosz, trainer van Vitesse, steeds meer begon te zien als een nieuwe belofte in trainersland, viel hij met een smak door de mand. Zijn Israëlische speler Dan Mori werd niet toegelaten door de Verenigde Arabische Emiraten en wat zei Bosz? Hij nam afstand van de boze reacties in Nederland: „Ik doe hier mijn werk, ik ben voetbaltrainer.”

Ik doe hier mijn werk, ik ben columnist en dus moet ik denken aan Louis van Gaal. Stel dat hij met zijn Oranjeselectie in Abu Dhabi had willen trainen en men had een Joodse speler geweigerd - zou Van Gaal dan overstag zijn gegaan? Ik kan het me niet voorstellen. En Rinus Michels in de tijd dat hij coach was van spelers als Bennie Muller en Sjaak Swart? Het lijkt me uitgesloten. Ook andere spelers, Cruijff en Keizer voorop, zouden het niet gepikt hebben. Er was een internationaal schandaal ontstaan en het gastland zou de ban snel hebben opgeheven.

„Ik doe hier mijn werk, ik ben voetbaltrainer.” Veel lamlendiger kun je het niet bedenken, maar Bosz staat met deze houding niet alleen. Ook de KNVB waarvan Dan Mori nota bene lid is, zoals Frits Barend opmerkte, kijkt de andere kant op: „Het is vooral een politieke kwestie, het is aan een club om te bepalen waar een trainingskamp wordt belegd.” Voorzitter Theo van Seggelen van de internationale spelersvakbond Fifpro neemt het Vitesse evenmin kwalijk en noemt het in Trouw „een storm in een glas water”.

Alle betrokkenen wassen hun handen in dat glas en de bal rolt verder – Vitesse heeft hem inmiddels doorgetikt naar het ministerie van Buitenlandse Zaken.

De rel rond Vitesse kwam toevallig kort na de tv-vertoning van de documentaire De Superjoden van Ajax van Nirit Peled. Ook die film stemde me weinig vrolijk, al lag dat niet aan de maakster, maar aan ex-Ajax-voorzitter Uri Coronel, een man die ik nog steeds hoog heb, maar die mij nu met enkele uitspraken teleurstelde.

De film gaat over de Joodse mythe rond Ajax, een club die nooit Joods was – enkele voorzitters, spelers en een groep aanhangers ten spijt – maar die vanaf de jaren tachtig door de eigen supporters wel als zodanig werd geafficheerd. ‘Jood’ werd voor hen een geuzennaam. Daarop reageerden de supporters van andere clubs met antisemitisch klinkende slogans.

Coronel vertelt hoe hij als voorzitter de Ajax-supporters probeerde te overtuigen van de averechtse uitwerking van deze vorm van clubliefde. „Ik heb hun gezegd dat ze er mensen pijn mee deden. Ze luisterden wel, maar het hielp niks.”

Aan het einde van de film blijkt Coronel moegestreden. „Ik heb meer begrip gekregen”, zegt hij, „de intenties zijn zuiver, het is geen antisemitisme, niemand in mijn familie zegt nog na een wedstrijd: het was weer verschrikkelijk, het glijdt langs ons heen – dat is een evolutie.” Hij trekt een gezicht van ‘het moet maar’ terwijl hij samenvat: „Ajax is geen Joodse club, maar een Jodenclub.”

„Je bent te defaitistisch geworden”, hoorde ik drie jaar geleden iemand tegen Coronel zeggen op een openbare bijeenkomst in het Joods Historisch Museum over dit onderwerp. „Ik geef toe dat mij wel eens enig defaitisme bekruipt”, zei hij toen. Wie zal het hem kwalijk nemen? Hij heeft zijn best gedaan. Maar jammer is het wel, want als Ajax ook al door zijn (voormalige) leiders als „een Jodenclub” wordt betiteld, zal het een gemakkelijk mikpunt van antisemitische hoon blijven.