Intuïtief voelde ik een verwantschap

„Het was rond Kerstmis in 1981, toen ik bij mijn oma in de Privé bladerde. Ik was zes jaar oud en kon nog nauwelijks lezen. Een paar foto’s namen me in beslag. Die scheve mond, die oenige uitdrukking, dat rubberen gezicht van André van Duin: intuïtief voelde ik een soort verwantschap. Zijn invloed op mij merk ik nog steeds.

„In no time zoog ik André’s hele oeuvre op. Ik was idolaat. En ik wist: wat hij kan, dat wil ik ook kunnen. In de spiegel oefende ik op die zeer specifieke scheve mond van André. Soms zag ik imitators die het verkeerd deden: die trokken de linkermondhoek naar beneden.

„Voor de ingang van buurtsuper Vivo in Amersfoort playbackte ik samen met vriendjes ‘De Heidezangers’ van André van Duin. De muziek kwam uit een cassettedeck. We droegen pruiken en ik had een ziekenhuisbrilletje op. Mijn vriendjes speelden zogenaamd percussie, ik de ukelele. Zo verdiende ik op m’n tiende mijn eerste geld als komiek.

„Toen ik elf was, mocht ik André ontmoeten in theater De Flint. Hij gaf me een hand en keek me recht in de ogen. Dat was een magisch moment: dat je idool jou ineens ziet en aankijkt. Ik weet nog dat ik vroeg of zijn typetje Simon Naaigaren nog terug zou komen. ‘Nee’, zei hij.

„Mijn moeder maakte een eind aan mijn Van Duin-verering. Op een dag, ik was veertien jaar, zei ze: ‘Het lijkt wel alsof je verliefd bent op die man!’ Ze vond het iets te obsessief worden. Toen ben ik ook fan geworden van Herman van Veen, Toon Hermans en Monty Python.

„Maar nog steeds kun je de invloed van André zien. Soms betrap ik mijzelf erop tijdens een optreden. Dan zet ik onbewust de grote ogen van André op, of krijg ik plotseling een Van Duin-mondje.”