Gadgetshow

Vaste prik begin januari: de opening van het internationale gadgetseizoen in Las Vegas. Maar na twaalf keer op rij naar de Consumer Electronics Show (150.000 bezoekers), kan het geen kwaad om een keertje over te slaan. Even afstand nemen van het mediacircus dat traditiegetrouw aftrapt met een persdag die eigenlijk niet zo mag heten.

Op dag 1 wordt een meute van circa 4.500 CES-journalisten van de ene hotelzaal naar de volgende gejaagd. Het schema is strak, de sfeer is opgefokt. Er is te weinig plek en wie zich naar binnen weet te wurmen bij een presentatie, wordt getrakteerd op pijnlijke marketingclichés als ‘morgen begint vandaag’ en ‘alles is mogelijk’.

Met het oog van de wereld op zich gericht durven weinig fabrikanten risico te nemen. De shows worden van A tot Z op de autocue uitgeschreven. Op zich handig, als Aziatische topmannen de menigte verrassen met onverstaanbaar Engels. Je leest hun verhaal woord voor woord mee op een groot scherm achter in de zaal.

Maar soms gaat het fout. Dit jaar stond bij Samsung Michael Bay (regisseur van actiefilms als Armageddon en Transformers) op het podium. Bay had een nieuwe 105-inch-tv moeten bewieroken, maar de autocue viel uit. Bay beende beschaamd het podium af – een improviseerknop zat er bij hem niet op. Eén voordeel: dankzij de knullige presentatie verscheen Samsungs peperdure tv opeens overal in het nieuws.

De CES belooft een blik op de grote trends in consumentenelektronica. Alleen vinden de meeste innovaties plaats in de mobiele sector en de IT-industrie. Apple is sinds 1992 afwezig op CES, Google bewaart het grootste nieuws voor eigen evenementen en Microsoft is gestopt met het sponsoren van de openingstoespraak.

De elektronicasector zelf – vroeger zou je dat bruingoed genoemd hebben – heeft moeite te vernieuwen nu HDTV ingeburgerd is. 3D werd geen succes in de huiskamer en OLED-tv’s zijn nog te prijzig (organic light emitting diode, flinterdunne tv-schermen die je zelfs enigszins kunt buigen).

En de smart-tv dan? Als twaalf jaar CES-bezoek iets geleerd heeft, is dat integratie van pc en televisie niet werkt. Er zijn te veel (mislukte) besturingssystemen voor tv’s – Google TV, Android TV, Smart TV, WebOS, Net TV, Chromecast , Viera Cast – die ook nog eens om de haverklap veranderen. Ontwikkelaars kunnen hun software niet up-to-date houden voor al die apparaten. En het bedieningsgemak haalt het nooit bij de aanraakbesturing van mobiele gadgets.

De slimste tv is een groot, dom scherm dat het beeld van je tablet pc of telefoon weergeeft. Een brave lobbes die achter de mobiele markt aanhobbelt. Ook wat betreft beeldkwaliteit. Op tablets is high definition (1920 x 1080 pixels) al ouderwets. De pixeldichtheid moest omhoog om fatsoenlijk een boek of een website op schoot te kunnen lezen.

Nu vergroot de tv zijn resolutie tot 4K (vier keer zoveel pixels als HD, in de winkel ook wel Ultra HD of UHD genoemd ). Staar je niet blind op een televisie met meer pixels want de winst voor de kijker, uitgerust met analoge ogen, is beperkt. De meeste mensen hangen op ouderwetse beeldbuisafstand van hun tv: een meter of drie, vier weg van het scherm. Want daar staat De Bank.

Als je meer pixels aan de muur hangt, moet je met je neus bovenop het scherm gaan zitten om het verschil te ervaren. Tenzij je een groter formaat kiest – en daar is het fabrikanten om te doen. De eerste generatie Ultra HD-schermen bestaat uit één glasplaat van 84 inch, waaruit ze vier aparte schermen van 42 inch kunnen zagen. En de tv blijft maar doorgroeien, tot tweeënhalve meter beelddiagonaal. Dat past in geen enkele gewone woonkamer. En in geen enkel budget.

„Adembenemend... alsof je uit een raam kijkt” leest een Sony-presentator voor vanaf zijn autocue. Mooi, want voor gewone ramen is geen ruimte meer.