Eurozone in 2014: op hoop van zegen

‘De crisis is voorbij”, zo liet de president van Europa, Herman van Rompuy, vlak voor de jaarwisseling weten. In 2014 zal de eurozone weer groeien. Het zijn weliswaar maar voorspellingen, maar het ergste lijkt achter ons, aldus Van Rompuy. Het jaar 2013 bracht inderdaad goed nieuws over de eurozone. De meeste crisislanden bleken bereid diep in te grijpen om binnen de eurozone te blijven. En Duitsland heeft laten zien dat het, als het erop aankomt, pal staat voor de euro. Het is ook mooi dat de economie van de eurozone eindelijk weer groeit. Die groei moet echter wel in een breder perspectief worden gezien. Het is niet veel meer dan een procent. Duitsland, de krachtpatser van de eurozone, groeit iets sneller, ongeveer anderhalf procent. Voor Nederland is stilstand de vooruitgang. De economie krimpt niet meer, maar daar is het mee gezegd. Zet dit soort cijfers eens naast die voor de Verenigde Staten of Groot-Brittannië. De economie van die landen groeit volgend jaar met twee en half tot drie procent. Met dit soort groeicijfers gaat de werkloosheid weer omlaag, iets waar in de eurozone vooralsnog geen zicht op is. Vanwege de dalende werkloosheid komt in Engeland en de VS snel het moment naderbij dat de centrale banken de radicale beleidsmaatregelen van de afgelopen jaren vaarwel zullen zeggen. Vooral de Amerikaanse Fed heeft onorthodoxe maatregelen genomen: quantitative easing, ofwel maandelijks voor tientallen miljarden staatsschuld opkopen. Daardoor bleef de rente laag en werd de economie gestimuleerd. Dat beleid werpt nu zijn vruchten af. En de Eurozone voelt nu de last van het meer gematigde beleid. De lage groei in de Eurozone leidt tot nog een ander probleem: deflatie. Japan heeft daar de afgelopen vijftien jaar vreselijke last van gehad. Door deflatie neemt de reële waarde van schulden automatisch toe, precies het omgekeerde van wat je na een schuldencrisis wilt. Bovendien stellen consumenten hun koopbeslissingen uit: morgen is alles immers goedkoper.

Ik heb me de afgelopen jaren verbaasd over economen die waarschuwden voor inflatie door te ruim monetair beleid. Mij leek het omgekeerde, deflatie, een grotere zorg. Afgelopen maanden zijn mijn zorgen bevestigd. De inflatiecijfers vielen tegen. Europa is daarmee angstig dicht bij deflatie. De ECB moet wel in actie komen. Probleem is echter: hoe? De rente is al dicht bij nul. Een negatieve rente is denkbaar. Banken moeten dan betalen als ze hun tegoeden bij de ECB willen stallen. Als dat niet voldoende is rest waarschijnlijk maar één alternatief: de Fed achterna, met quantitative easing. De ECB als opkoper van staatsobligaties. Hier loopt de eurozone tegen zijn grenzen aan: wel een monetaire, maar geen politieke unie. Want waar de Fed maar één overheid heeft van wie zij de staatsschuld kan opkopen (Washington), daar heeft de ECB keus uit wel achttien overheden. Alle lidstaten doen hun obligaties graag in de aanbieding, want als de ECB ze aankoopt daalt de rente op hun staatsschuld. Maar juist daarom maakt het Verdrag van Maastricht dit juridisch gezien nagenoeg onmogelijk. Volgens het verdrag is de ECB er voor het monetaire beleid en is het begrotingsbeleid de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke lidstaten. Om het platter te zeggen: de noordelijke lidstaten zijn bevreesd dat zij via de ECB begrotingsproblemen van zuiderburen oplossen. Het ontbreken van een gemeenschappelijke federale Europese begroting bemoeilijkt dus de taak van de ECB om koste wat kost deflatie te voorkomen. En zo gaat het precies zoals het Centraal Planbureau drie jaar geleden in Euro(pa) in Crisis voorspelde. De ECB is de enige echt Europese organisatie, die bij meerderheid beslissingen kan nemen. Omdat dat soort beslissingen onvermijdelijk zijn, krijgt de ECB bijna vanzelfsprekend een steeds grotere rol. Leuk of niet leuk doet weinig ter zake. Er zijn vooralsnog weinig alternatieven.