Desolate gangsters met een vergeten erecode

De Franse regisseur Melville maakte existentialistische, uitgebeende films over oorlog en gangsters. Zijn oeuvre laat echo’s na in films als ‘Reservoir Dogs’ en ‘Drive’. Ze zijn nu alle dertien te zien in het Eye Filmmuseum.

‘Voor mij is hij God” en „hij maakte de coolste gangsterfilms ooit”. Uitspraken van respectievelijk regisseur John Woo en Quentin Tarantino over hun Franse collega Jean-Pierre Melville (1917-1973). Melville is iemand die zij niet alleen bewonderen, maar ook kopieerden, zoals in Reservoir Dogs of The Killer.

Melville was een autodidact die het filmvak leerde door zoveel mogelijk naar de bioscoop te gaan, waar hij een voorliefde ontwikkelde voor Hollywoodklassiekers uit de jaren dertig en veertig. Melvilles dertien films tellende oeuvre, dat voor het eerst in zijn geheel in Nederland te zien is in het retrospectief dat Eye aan Melville wijdt, staat in het teken van zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. De als Jean-Pierre Grumbach geboren Melville veranderde zijn naam toen hij in het verzet ging, als hommage aan zijn favoriete Amerikaanse schrijver Herman Melville van Moby Dick.

Zijn oorlogservaringen zijn op directe wijze verwerkt in zijn oorlogstrilogie, alle drie bewerkingen van klassieke Maquis-boeken: Le silence de la mer (Melvilles debuut uit 1949), Léon Morin, prêtre (1961) en L’armée des ombres (1969), een van de beste oorlogsfilms ooit gemaakt. Maar ook in Melvilles befaamde gangsterfilms is de oorlog nooit ver weg. Die ‘policiers’ gaan altijd over vertrouwen en verraad, wat in de oorlog het verschil is tussen leven en dood. Nu is dat het thema van veel gangsterfilms, maar bij Melville wordt het opgerekt tot existentiële proporties, geheel naar de tijdgeest van Beckett, Sartre en Camus.

Zijn gangsters mogen dan volgens (vergeten) erecodes leven, Melville laat zien dat hun acties futiel zijn en leiden tot eenzaamheid of de dood - vrouwen spelen nauwelijks een rol. Bij Melville is melancholie de grondtoon, met personages die vaak geïsoleerd in het kader worden getoond, zoals in de prachtige beginscène van zijn meesterwerk Le samoeraï (1967), waarin Delon in het donker in een hoekje van zijn spaarzaam ingerichte kamer op bed ligt te roken. Als een dode opgebaard: het kondigt zijn einde alvast aan.

Melville vindt nog altijd navolging. Een film als Drive van Nicolas Wending Refn is ondenkbaar zonder Melville; het door Ryan Gosling gespeelde hoofdpersonage is gemodelleerd naar Alain Delon in Le samouraï. Beiden zijn stoïcijnse professionals die zwijgend, onthecht en zonder enige expressie hun werk doen in het criminele circuit. Maar ook in zijn uitgebeende stijl is Refn schatplichtig aan Melville, die de kunst van het weglaten tot het uiterste doorvoerde. Het maken van pure cinema stond voorop, met altijd wel een paar cinematografische hoogstandjes die je de adem benemen, zoals de overval in Le deuxième souffle (1966) of de ondervraging van Belmondo in Le doulos (1962).

Naarmate de jaren vorderden, maakte Melville steeds abstractere films, met de trilogie die hij met Delon maakte als hoogtepunt: Le samoeraï, Le cercle rouge (1970) en zijn zwanenzang Un flic (1972).