Ballerina’s met ballen

Spitzen maat 45, harige oksels – echt sierlijk zijn de mannen in tutu’s van Les Ballets Trockadero de Monte Carlo niet // Zij verbinden topballet met slapstick en humor // Ook voor wie ballet haat

Bobby Carter, de prima donna van de ‘Trocks’ Foto Sascha Vaughan

medewerker dans

‘Het liefst heb ik ze mét lichaamsbeharing.” Een opmerkelijke uitspraak voor een balletdirecteur, maar de ballerina’s van Toby Dobrin, artistiek directeur van Les Ballets Trockadero de Monte Carlo, zijn dan ook praktisch uniek in de wereld. Volgende week treden ze op in Den Haag.

Op spitzen maat 45 trippelen zij over het toneel, in tutu’s van een maatje méér en met decolletés waaruit olijk een toefje, of flinke toef, borsthaar piept. In de oksels cultiveren sommigen complete vogelnesten en tja, ze hebben nóg iets wat de gemiddelde danseres niet heeft. Want bij de ‘Trocks’ dansen uitsluitend mannen, en dit alweer veertig jaar.

In het theater van Poissy, een voorstad van Parijs, heerst eind november een ontspannen sfeer. Tijdens de middagles op het toneel pikken de herenballerina’s uit de instructies van de balletmeester wat hun lijkt uit te komen, waarbij (grote) verschillen in technisch niveau en stijl makkelijk aanwijsbaar zijn.

Het ‘all male’-balletgezelschap uit New York is ook in fysiek opzicht bepaald niet eenvormig: aan de barre staat een danser met de spreekwoordelijke zwanenhals en een authentiek anorectisch ogende pezigheid. Maar even verderop heft een kalende bodybuilder zijn gespierde arm in een elegante port de bras – een ronde beweging met de armen. Voor het podium oefent een enorme beer op spitzen.

„Ja, hij was eigenlijk opgehouden met dansen, maar toen bedacht hij zich”, vertelt Dobrin (59), nonchalant. „Ik zei: kom maar terug. Bleek dat hij enorm was aangekomen! Hij is nu nog aan het afvallen.” Voorlopig doet alleen kíjken naar de mollige voeten (met Sesamstraat-sokken) in roze, satijnen spitzen al pijn: op een paar vierkante centimeters rust het gewicht van tweeënhalve ballerina.

Sublieme vorm van nichtenhumor

Het moge duidelijk zijn: bij de Trocks draait het niet alleen om ballettechniek, maar evenzeer om het koddige effect van ‘cocks in frocks’. Ze vergroten de codes van de klassieke dans uit en parodiëren die liefdevol, met als resultaat nu eens een sublieme vorm van nichtenhumor, dan weer voorspelbare slapstick.

De groep is voortgekomen uit Trocadero Gloxinia Ballet Company, een spruit van Andy Warhols Factory uit de jaren zeventig. Arlene Croce, een vooraanstaand danscritica, wijdde ooit in The New Yorker een essay aan de Trocks en binnen een paar jaar werden de eerste, internationale optredens geboekt. In Nederland is de groep meermalen te zien geweest, voor het eerst in de jaren tachtig, toen ook een travestiet als Craig Russell Carré liet volstromen met drommen versgeëmancipeerde homoseksuelen.

Dobrin benadrukt dat de voorstelling geen vorm van homoactivisme is. Al is het natuurlijk geen toeval dat het gezelschap „voor 99,9 procent” uit homo’s bestaat en er sprake is van ‘gay sensibility’ – camp, kortom. Als reisgezelschap hebben de Trocks in theaters in de conservatiefste regio’s binnen én buiten de Verenigde Staten gedanst en zo hun bijdrage geleverd aan de homo-emancipatie. „Maar we brengen een show voor een groot publiek. Een vrouw kan haar echtgenoot meenemen die ballet háát, en die heeft dan toch een leuke avond.”

„Wij zijn misschien wel homo, maar als we dansen hebben we daar niets mee te maken”, zegt prima ballerina assoluta Robert Carter (38), die zich vlak voor de voorstelling stevig in de schmink zet en de gigantische valse wimpers aanbrengt. Die kocht hij bij een winkel voor clownsbenodigdheden. „Zelf heb ik niet voor dit gezelschap gekozen vanwege de travestie. Ik wil geen vrouw imiteren. Je moet een larger than life persoonlijkheid neerzetten.”

Op spitzen, uit overtuiging

Carter (alias Olga Supphozova – alle danseressen hebben gerussificeerde artiestennamen) is opgegroeid in South Carolina, waar (zwarte) jongetjes met balletaspiraties met achterdocht werden bekeken. En dan was Carter ook nog eens gefascineerd door spitzen – nog vreemder. Maar zijn dansdocente moedigde hem juist aan. „Goed voor mijn techniek, zei ze. Ik werk sinds mijn elfde op spitzen.”

Daarmee was en is Carter een uitzondering, al hebben de meeste dansers die zich tegenwoordig bij het gezelschap voegen al enige ervaring met het dansen op de pointes (teenpunten). Dobrin: „Dat was vroeger wel anders. Toen ik in 1980 bij de groep kwam, kreeg ik een paar spitzen in mijn handen gedrukt en... zie maar. Have fun.”

Ook anders is inmiddels de gemiddelde leeftijd. Was het gezelschap aanvankelijk een verzameling oudere, mannelijke dansers met een spitzenfetisj, tegenwoordig sluiten steeds jongere dansers zich aan. Dobrin wijst het jonkie van de Trocks aan: Philip Martin-Nielson (alias Nadia Doumiyafeyva), engelachtig snuitje, is negentien jaar. Uit overtuiging koos hij voor een loopbaan op spitzen.

Bobby Carter is al twintig jaar bij de Trocks en danst vanaf het begin de rol van Odette, de zwanenkoningin, in de tweede akte van Het Zwanenmeer. Het is een van hun succesnummers, vol campy grapjes en bloopers, bevolkt door nijdig pikkende zwanen en een pittig koninginnetje.

Juist die klassieke balletten werken het best, weet de ervaren Dobrin. Elke voorstelling begint dus met een stukje van Het Zwanenmeer, Giselle of La Sylphide – met ongeveer 80 procent van de choreografie die ook elders wordt gedanst.

Zo brengen ze het publiek in de juiste stemming. Voor de kortere ‘middenstukken’ zijn parodieën gemaakt van twintigste-eeuwse werken. Moderner dan een Pina Bausch-karikatuur wordt het echter niet. Een hedendaagse dansstijl als die van choreograaf William Forsythe doen ze niet heeft. „De jongens zouden er in strakke, gladde balletpakken gewoon uitzien als grote, lelijke wijven.”

Bekijk een stukje Zwanenmeer van de ‘Trocks’: nrch.nl/394r