80 jaar bbp, 80 jaar discussie

Deze week tachtig jaar geleden presenteerde de Russisch-Amerikaanse econoom Simon Kuznets het systeem van nationale rekeningen aan het Amerikaanse Congres. Voor het eerst was er systematisch inzicht in het verloop van de economie: het bruto binnenlands product.

Het is een fenomeen dat de indruk maakt er al veel langer te zijn geweest, maar deze week was het pas tachtig jaar geleden dat het bruto nationaal product (bnp) voor het eerst werd gepresenteerd. Simon Kuznets, een Amerikaanse econoom van Russische origine, openbaarde op 4 januari 1934 de nationale rekeningen van de Verenigde Staten aan het Congres. Pas een paar jaar later zou hij overigens op de term ‘bruto nationaal product’ komen, als een van de belangrijkste grootheden. Maar destijds was het voor het eerst dat ‘de economie’, het geheel aan productie, consumptie, besparingen en investeringen, kon worden samengevat in een samenhangend stelsel van metingen en cijfers. En, misschien nog wel belangrijker: ook het verloop van de economie, of hij groeide of kromp, en met hoeveel, kon nu worden gevolgd.

Tot die tijd hadden politici, ondernemers, beleggers en economen slechts een zeer gebrekkig idee van hoe de economie zich ontwikkelde. Wall Street lette destijds sterk op de blast furnace index: de activiteit van de hoogovens. Of, zoals het recente en uitstekende WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’ het stelt: ‘de Amerikaanse president Roosevelt moest bij zijn economische koersbepaling afgaan op zaken als de prijs van ijzer, de beurskoersen en het volume van het vrachtverkeer’. Niet dat er al geen andere pogingen waren gedaan: Kuznets citeert zelf in een publicatie uit 1934 uit het werk van zijn voorganger Will-ford I. King, die schattingen over de economie terug had gerekend tot 1909. Maar Kuznets’ systeem was voor het eerst samenhangend, consistent en redelijk betrouwbaar.

Globalisering leidt tot bbp

Kuznets en zijn medewerkers op het Amerikaanse National Bureau of Economic Research (NBER) reconstrueerden de nationale rekeningen terug tot in het einde van de negentiende eeuw, en niet snel daarna voerden andere industrielanden ook het systeem van nationale rekeningen in. Later zou het bruto nationaal product als maatstaf overigens in onbruik raken. De productie werd bij de calculatie van dat bnp overwegend toegerekend aan de nationaliteit van de producent. Maar naarmate bedrijven internationaler gingen opereren ging dat wringen: het heeft geen zin om de activiteiten van, zeg, Dow Chemical in Rotterdam aan de Amerikaanse economie toe te rekenen en die van Unilever in de VS aan Nederland. Vandaar dat het ‘bruto binnenlands product’ (bbp) nu wordt gehanteerd: niet de nationaliteit, maar de locatie is het uitgangspunt.

Welvaartsmaatstaf

De discussie of het bnp, of bbp, een goede maatstaf is voor welvaart is vrijwel even oud als het bnp zelf. Kuznets was daar zelf kort over: de welvaart van een land kan nauwelijks worden afgeleid van een maatstaf als het nationaal inkomen, zei hij. De econoom zou zijn verdere loopbaan besteden aan het meten van de verdeling van het inkomen binnen een land.

Het bbp per hoofd van de bevolking blijft evenwel de meest aangehaalde maatstaf voor internationale welvaartsvergelijkingen. Het hierboven aangehaalde WRR-rapport suggereert een voorkeur voor de zogenoemde ‘actuele individuele consumptie (aic)’: de consumptie die een inwoner geniet, inclusief die van overheidsdiensten als onderwijs. Dat geeft nogal een verschil. Nederland stond, van de 28 EU-landen, volgens Eurostat in 2012 op de vierde plaats bij het bbp per hoofd. Maar bij de aic per hoofd staan we slechts tiende.

Ondanks alle kritiek lijkt het bbp, om met Churchill te spreken, de minst slechte maatstaf die we hebben om het verloop van de economie te meten. Een historische toepassing van de methode kan tot verrassende conclusies leiden. Over bijvoorbeeld de hoogte van de staatsschuld als percentage van het bbp, die begin negentiende eeuw veel hoger was dan nu.

Tot hoever terug valt het bbp te reconstrueren? Het meest extreme voorbeeld is het werk van de Britse econoom en Groningse hoogleraar Angus Maddison (1926-2010). Zijn calculaties vormen nog steeds een van de meest aangehaalde bron van historische economische gegevens. In bijstaande grafiek staan Maddisons berekeningen over de relatieve omvang van de grootste blokken in de wereldeconomie. De opkomst van China en India valt zo beter te begrijpen. De snelle groei van met name de Aziatische landen mag dan revolutionair zijn, en zorgen voor omvangrijke en soms ontwrichtende verschuivingen in de economische machtsverhoudingen die de huidige eeuw zullen kenmerken. Maar de wereldeconomie keert na de dominantie van het Westen in wezen terug naar een normale, en gezien de bevolkingsaantallen logische, toestand.