Raadswerk is nu corvee

Lokale partijen hebben steeds meer moeite om raadsleden te vinden. Toch zijn er nog jongeren die het werk graag doen. „Je wordt serieus genomen.”

Foto Duncan de Fey

Een aardige bijverdienste, een mooie vermelding op je cv en een interessante baan in het hart van de democratie, want gemeenten worden steeds belangrijker. Op het oog is het raadslidmaatschap aantrekkelijk.

De werkelijkheid is anders. Politieke partijen hebben grote moeite met het vinden van kandidaten voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen, zo bleek uit een enquête onder ruim tweehonderd gemeenten in opdracht van tv-programma Nieuwsuur deze week. In zeker twintig gemeenten doen partijen in maart niet mee aan de verkiezingen omdat ze niet voldoende kandidaat-raadsleden kunnen vinden. Het probleem speelt vooral in gemeenten van minder dan 50.000 inwoners.

Het gebrek aan animo voor raadswerk doet zich al langer voor. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), belangenbehartiger van het lokaal bestuur, liet in 2008 een onderzoek verrichten naar het hoge verloop onder raadsleden. Conclusie: de werkdruk is te hoog. Raadsleden „vinden dat ze te veel moeten vergaderen”. En: „Zij worden overvoerd met papieren informatie.” Gevolg: raadsleden komen niet meer toe aan wat ze echt belangrijk vinden: meer contact met burgers.

Bovendien, zegt Marcel Boogers, hoogleraar regionaal bestuur aan de Universiteit Twente: het aanzien van het raadswerk neemt af. „Vroeger ging letterlijk de vlag uit als je raadslid werd. Nu is het raadslidmaatschap op z’n best een corveefunctie. Corvee dat ook nog eens buitengewoon kritisch wordt bekeken.”

Een aantal decennia geleden was er bij verkiezingen nog sprake van „gezagsoverdracht”, zegt Boogers: het volk dat in vertrouwen zijn stem overdroeg aan het raadslid. „Die tijd is voorbij. Het volk zegt nu: hier is mijn stem, en als je iets doet wat mij niet zint, dan weet ik je te vinden.” Ruim een op de drie raadsleden krijgt minstens één maal te maken met agressie en geweld, zo blijkt uit de Monitor agressie en geweld openbaar bestuur uit 2012.

En de kwetsbaarheid van raadsleden neemt in de nabije toekomst vermoedelijk alleen maar toe. Hun positie als controleur van de macht loopt gevaar, zeiden gemeenteambtenaren, lokale rekenkamers en raadsleden zelf eind november in NRC Handelsblad. Hun redenering: het Rijk hevelt grote en voor de samenleving belangrijke taken als de jeugd- en ouderenzorg over naar gemeenten. Die dossiers zijn zó complex en omvangrijk, dat gemeenten ze meteen beleggen in regionale samenwerkingsverbanden, die soms bestaan uit wel twintig verschillende gemeenten.

Die verbanden worden bestuurd door wethouders. De afzonderlijke gemeenteraden staan op afstand: raadsleden hebben nauwelijks bevoegdheden om de samenwerkingsverbanden te controleren. Dat gaat vanaf 2015 dus ook gelden voor politiek licht ontvlambare taken als de jeugdzorg: raadsleden hebben weinig invloed op het beleid, maar zodra zaken als die van de gedode kinderen Savanna of Jessica (het Maasmeisje) aan het licht komen, zullen burgers raadsleden er wel op aanspreken.

En dan is er nog de vergoeding voor het raadswerk. Het betreft een ‘nevenfunctie’: raadsleden worden geacht er een ‘normale’ baan naast te hebben. Om dat te onderstrepen is de vergoeding niet royaal, hoewel er wel meer wordt betaald naarmate de gemeente groter is; 100.000 tot 150.000 inwoners: 1,557,74 bruto per maand. 14.000 tot 24.000 inwoners: 580,23. Saillant detail: ruim de helft van de Nederlandse gemeenten telt minder dan 25.000 inwoners.

Maar, zegt Marcel Boogers: de bescheiden vergoeding is geen belangrijke reden voor het gebrek aan animo voor het raadslidmaatschap. Werkdruk, en het gebrek aan aanzien zijn belangrijker. En, voegt hij toe: „Er zijn simpelweg steeds minder leden van politieke partijen. De vijver om uit te vissen wordt steeds kleiner.”