De Snowdens van 1971 maken zich bekend

Ze waren de 20ste-eeuwse voorlopers van Edward Snowden. Op 8 maart 1971 trokken ze, na een maandenlange voorbereiding, zwarte handschoenen aan. Ze braken in in een FBI-kantoor in Philadelphia, stopten stapels documenten in koffers en gingen ervandoor. De papieren stuurden ze anoniem naar kranten.

De publicaties over de documenten in The Washington Post en The New York Times vormden het begin van een vloed onthullingen over infiltratie en afluisteren van links en activistisch Amerika door de FBI onder J. Edgar Hoover. In de buit stond ook de term Cointelpro, naar later bleek een programma voor het zaaien van paranoia en soms chanteren van activisten.

Anders dan Snowden zijn de acht inbrekers annex klokkenluiders nooit voor hun daad uitgekomen. Nu plaatst The New York Times een reconstructie met namen.

Het idee voor de inbraak kwam van een vorig jaar overleden universitair docent natuurkunde en spil in de anti-oorlogsdemonstraties in Philadelphia. Twee mede-inbrekers waren John en Bonnie Raines, een echtpaar dat familie had gevraagd hun drie kinderen op te voeden, mochten ze gepakt worden. „Er was niemand in Washington [...] die J. Edgar Hoover ter verantwoording durfde te roepen,” zegt John Raines, nu 80, tegen de krant. „Het was ons duidelijk dat als wij dat niet deden, niemand het zou doen.”