Fascinatie voor freaks

In Amsterdam laten Timothy en Stephen Quay hun fascinatie voor freaks zien De broers Quay maakten reclames voor Mars en Nikon, maar zijn vooral gek op alles wat net niet normaal is

Een filmdecor in een kijkdoos, een dormitorium noemen zij dat. Gemaakt voor de filmRehearsals for Extinct Anatomies (1987). Robert Barker / Cornell University

Als je ze ziet, lijkt er geen twijfel mogelijk: Stephen en Timothy Quay voelen zich aangetrokken tot freaks, omdat ze zelf freaks zijn. De Amerikaanse broers (Philadelphia, 1947) vormen een eeneiige tweeling en hoewel ze zich niet identiek kleden, is het verrukkelijk verwarrend om naar ze te kijken.

Maar ook eenlingen kunnen dol zijn op freaks en niet alle tweelingen maken films waarin ze het opnemen voor iedereen die afwijkt van wat gebruikelijk is.

The Quay Brothers Universum, de tentoonstelling die het Amsterdamse filmmuseum Eye aan het werk van de broers wijdt, is een universum dat bevolkt wordt door mensen die door anderen geestelijk of lichamelijk als mislukt worden gezien. Bij de broers kunnen ze op hun eigen wijze volmaakt zijn. In de catalogus staat bijvoorbeeld een anatomische afbeelding uit 1746 van de rug van een engel, als ze bestond zeker ook een freak. De huid is afgestroopt, botten en spieren zijn zichtbaar, ook die van de vleugels.

De broers Quay werden bekend als filmmakers, vooral van stop-motion poppenfilms. Op de expositie is een groot aantal van hun films te zien, waaronder de speelfilms Institute Benjamenta (1995) en The Pianotuner of Earthquakes (2005) en korte films als Street of Crocodiles (1986) en The Phantom Museum: Random Forays into the Vaults of Sir Henry Welcome’s Medical Collection (2003). De in Londen wonende broers maken ook videoclips, waaronder de beroemde Sledgehammer-video van Peter Gabriel en reclamefilms, onder meer voor Mars en Nikon.

Meer dan gewone tentoonstelling

Naast films zijn er in Eye ook tekeningen en illustraties te zien, en decors – bij de broers Quay zijn dat kleine dozen, dormitoria genaamd. Je zou met het werk van de Quays een gewone respectabele tentoonstelling kunnen maken, zoals bijvoorbeeld vorig jaar in het Museum of Modern Art in New York en volgend jaar in het Centre de Cultura Contemporanea in Barcelona. Maar in Eye blijft het daar niet bij. Daar is niet alleen werk van de Quay Brothers zelf te zien, maar bijna net zo veel van hun inspiratiebronnen. De broers halen de surrealistische onderstroom naar de oppervlakte die nog steeds door de Europese cultuur stroomt. Bij de Quays gaat het vooral om oude vertakkingen uit Midden- en Oost-Europa, om verhalen van schrijvers als Franz Kafka en Bruno Schulz, om Poolse affiches en Russische films.

Ook van buiten de kunst halen de broers hun inspiratie. Dan gaat het vooral om negentiende-eeuwse medische instrumenten en tekeningen. Dat ouderwetse is belangrijk: wat toen wetenschappelijk leek, is nu esthetisch geworden. Een foto van een bloem is misschien accurater maar minder aantrekkelijk dan zo’n fraai gekleurde wetenschappelijke illustratie. Een anatomisch model uit de negentiende eeuw is mooi op een manier die voor een exemplaar uit de twintigste of eenentwintigste eeuw (nog) onbereikbaar is: even aandoenlijk als exotisch, kinderachtig met een vleugje huivering. Het geldt niet alleen voor wetenschappelijke instrumenten. Zelfs de hier getoonde kuisheidsgordel heeft zo’n romantisch patina.

Echte materialen

Dat die oude medische instrumenten en hulpmiddelen nu mooi gevonden worden, komt waarschijnlijk doordat ze niet van plastic of een andere kunststof zijn gemaakt, maar van robuuster, ‘echtere’ materialen als leer, hout, ivoor en ijzer, waarvan nu alleen nog sieraden en andere luxe wordt vervaardigd. Prachtig is een klein vrouwtje van ivoor wier buik je kunt weghalen zodat er een baby’tje tevoorschijn komt. Even prachtig zijn een mannetje en vrouwtje van ivoor die seksuele posities kunnen demonstreren.

Op een tentoonstelling als deze bestaat het gevaar dat het werk van de inspirators dat van de geïnspireerden overvleugelt. Dat gebeurt hier inderdaad. De films van de Tsjechische kunstenaar Jan Svankmajer of de Pool Jan Lenica bekoren meer dan het werk van de Quays. Van Svankmajer is een vroeg werk te zien, Historia Naturae, Suita uit 1967, een rappe opeenvolging van beelden van verschillende diersoorten, waaronder insecten, schildpadden en apen. We zien tekeningen, foto’s, opgezette museale exemplaren, vrolijk gemonteerd op het ritme van een muziekje.

Zo charmant als het werk van Svankmajer is het werk van de Quays niet, zij zijn priegeliger, duisterder. Dat Svankmajer op hun expositie mag schitteren, geeft aan hoe genereus de Quays zijn. Het universum van Timothy en Stephen Quay is er een om lang in te dwalen. Hun werk leent zich er misschien goed toe, maar ik zou graag over meer kunstenaars zo’n soort tentoonstelling zien. Het avontuur van de kunst wordt er nog spannender door.