DNB, doe niet mee aan hypocrisie over stijgende euro op valutamarkt

Hoezeer een sterke euro de export in het noorden ook schaadt, het is een peulenschil bij de schade in de schuldenlanden, meent Melvyn Krauss.

Aan het begin van een nieuw jaar klinkt weer het bekende refrein dat Duitsland niet genoeg doet om Europa, en dan vooral de armere Europese landen, een groeivriendelijke omgeving voor herstel te bieden. De Amerikaanse minister van Financiën Jack Lew gaat naar Berlijn om de Duitsers op te roepen de binnenlandse vraag te stimuleren. Maar de gebeurtenissen van 2013 pleiten ervoor om met deze bekende klacht ergens anders aan te kloppen – niet in Berlijn, maar bij de Duitse Bundesbank.

Het nieuwe regeerakkoord dat bondskanselier Merkel heeft gesloten met de Duitse sociaal-democraten voorziet immers al in een minimumloon en pensioenhervormingen, en komt tegemoet aan de eisen van de critici dat Duitsland zijn totale vraagbestedingen moet verhogen. Het is verrassend – en vrij oneerlijk – dat Berlijn met deze constructieve maatregel in internationale kringen niet meer lof oogst.

Maar het grote verhaal van het jaar voor de armere Europese landen was de gestage stijging van de euro op de valutamarkten – en de sleutelrol die de Bundesbank en haar bondgenoten, waaronder De Nederlandsche Bank, hebben gespeeld om die stijging te bevorderen. Hoezeer de stijgende euro de export in het noorden ook schaadt, het is een peulenschil vergeleken bij de schade die de sterke euro in de armere Europese landen aanricht.

De kern van de zaak is deze. De eurozone kampt op het ogenblik met het probleem van een teruglopende inflatie en volgens sommigen is er nog maar één zetje van buiten nodig voor regelrechte deflatie. Toch is de markt ervan overtuigd dat de Bundesbank en haar bondgenoten na de renteverlaging van november, met een kwart procentpunt tot 0,25 procent, hun best zullen doen verdere monetaire inschikkelijkheid te beperken.

De ophef in Duitsland na de novembervergadering heeft het marktsentiment versterkt dat de Europese Centrale Bank moeite zal hebben om de resterende pijlen op haar boog van monetair beleid te gebruiken of nieuwe toe te voegen. De nieuwste sprong van de euro zou gevoed zijn door de waarschuwingen van de Bundesbank dat „een lage prijsdruk geen vrijbrief voor een willekeurige monetaire verruiming mag zijn”. Dergelijke opmerkingen vormen een duidelijk signaal aan speculanten om de euro te blijven kopen, ook al is de economie in de eurozone nog nauwelijks uit de recessie.

Wat moeten de armere eurolanden doen? De noorderlingen houden ze onvermoeibaar voor hoe belangrijk het is dat ze hun kosten omlaag brengen, zodat ze kunnen exporteren naar de wereldmarkt. Maar vervolgens maken ze die taak nog moeilijker door de euro op de valutamarkten te laten stijgen. De Nederlandsche Bank mag aan deze schaamteloze hypocrisie niet meedoen.

Een munt is terecht sterk als deze een sterke economie weerspiegelt. Maar de combinatie van een sterke munt en een zwakke economie is een giftig mengsel. Vooral voor de economisch zwakkere gebieden.

De huidige sterke euro is geen blijk van vertrouwen in de economie van de eurozone. Hij toont iets heel anders aan: het vertrouwen dat de Bundesbank en haar bondgenoten in het bestuur van de ECB zich zoveel mogelijk zullen verzetten tegen verdere monetaire aanpassingen ter bestrijding van de huidige zwakke Europese prijsontwikkeling.

De Nederlandsche Bank moet duidelijk maken dat ze het in dit vroege stadium van economisch herstel oneens is met de ongevoeligheid van de Bundesbank voor de stijgende euro, ook al betekent dit een tijdelijke breuk tussen de twee bondgenoten.