De staat heeft geen rol bij het overleven van Aldel

Het doek lijkt nu echt te vallen voor Aldel, het aluminiumbedrijf in Delfzijl. Minister Kamp (VVD) van Economische Zaken liet gisteren weten weinig meer te kunnen doen om de onderneming open te houden. Objectief gezien is dat ook zo. Niet alleen is steun in Europees verband juridisch lastig te verkopen, het is ook niet de taak van de overheid om een bedrijf open te houden dat niet langer levensvatbaar is. Werknemers mogen verwachten dat de overheid bijdraagt aan de voorwaarden voor werkgelegenheid. Maar dat staat geenszins gelijk aan het recht om te werken bij Aldel.

Aluminiumverwerking behoort tot de meest energie-intensieve bedrijfstakken. De sector zelf kampt wereldwijd met overcapaciteit. Als dan de prijs van energie te hoog is, rest verlies. En dat verlies hoopt zich al geruime tijd bij Aldel op. Voeg daarbij een grootaandeelhouder, het Zwitsers-Amerikaanse Klesch, die een indruk van wankelmoedigheid achterlaat en het hoeft niet te verbazen dat het doek uiteindelijk valt. De 8 miljoen euro die minister Kamp eind vorig jaar nog in Aldel stak, is snel verdampt en het is begrijpelijk dat de minister geen goed geld achter kwaad geld aan gooit.

Toch wringt de zaak wel. Niet alleen omdat de sluiting van Aldel een regio, Noordoost-Groningen, treft die het toch al zeer moeilijk heeft. Dat Duitsland, vlak over de grens, een energieprijs hanteert die veel lager is, maakt dat het lastig concurreren is. Dit wijst erop dat de Europese Unie als gemeenschappelijke markt nog verrassend onvolkomen is. Er is in hoge mate een vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. Maar het vestigingsklimaat kan van land tot land sterk verschillen. Veel bedrijven in Zuid-Europese landen betalen bijvoorbeeld, door de aanhoudende fragmentatie van de bankensector die mede het gevolg is van de financiële crisis, een veel hoger rentetarief dan hun Noord-Europese concurrenten.

Op het gebied van energie is er in de EU een onoverzichtelijke lappendeken van beleid, dat varieert van al dan niet verkapte subsidies voor grootverbruikers tot marktverstorende stimulering van groene stroom.

Daarbij valt op dat Duitsland, toch een van de ferventste voorstanders van Europese integratie, af en toe flink marktverstorend kan opereren. Bij een ander voorbeeld van sterk variërend vestigingsklimaat, de fiscale behandeling van bedrijven, behoort juist Nederland volgens veel medelidstaten weer tot de grootste boosdoeners.

Zo staat de zaak-Aldel voor een groter probleem: het gebrek aan een gemeenschappelijk beleid voor het ondernemingsklimaat in de EU. Dat is een kwestie van zeer lange adem. Zo lang dat het geen zin heeft ondernemingen met staatsgeld overeind te houden die zich er het slachtoffer van voelen.