De brandhaarden van Rising Africa

Afrika Bloedbaden in Zuid-Soedan en de Centraal-Afrikaanse Republiek geven het beeld van een continent in oorlog. Toch wordt er minder gemoord en maakt Rising Africa nog steeds een kans. Het uitbannen van armoede is de grootste uitdaging.

Afrika heeft het nog nooit zo goed gehad. Die constatering ligt niet voor de hand, aan het begin van 2014 waarin het beeld van Afrika wordt gekleurd door tribale broederstrijd in Zuid-Soedan en slachtpartijen tussen christenen en moslims in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Bijna 1,2 miljoen mensen zijn op de vlucht geslagen in die landen.

De in december opgelaaide strijd in Zuid-Soedan, in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), maar ook de geweldsuitbarstingen in Mali, Nigeria, Somalië en het oosten van Congo: ze doen het oude clichébeeld herleven van Afrika als kansloos continent, een werelddeel vol armoede en primitieve slachtpartijen. Terwijl enkele jaren geleden nog het idee van ‘Rising Africa’ in zwang raakte. Afrika, met zijn jonge bevolking, werd getipt als de grote kanshebber op het internationale toneel. Veelbelovende economische groeicijfers getuigen daar nog van. Moet dat oordeel nu worden herzien?

Het antwoord is nee. Afrika heeft het beter dan ooit. Tenminste: als je de grote brandhaarden telt. Enkele decennia terug waren oorlog en geweld de norm voor grote delen van het continent. Nog niet zo lang geleden waren landen als Soedan (1983-2005), Ethiopië (jaren 70 en 80), Sierra Leone (1991-2002), Liberia (1999-2003), Tsjaad (2005-2010), Angola (1975-2003) en Congo (jaren 90-2003) ondergedompeld in burgeroorlogen. Het Verzetsleger van de Heer van Joseph Kony ontvoerde het afgelopen decennium duizenden kinderen in Centraal-Afrika. En bij volkerenmoorden in Burundi (1993) en Rwanda (1994) werd bijna een miljoen mensen afgeslacht. Wie naar dat verleden kijkt, ziet dat Afrika vooruit gaat.

Maar die vooruitgang is relatief. Misschien is het beter om te zeggen dat Afrika het nu minder slecht heeft. Nog steeds telt het continent ruim tien miljoen vluchtelingen en ontheemden. Ongeveer één op de honderd Afrikanen leeft verdreven van eigen huis en haard. Nog steeds worden mensenrechten geschonden en burgers onderdrukt, kunnen slachtoffers van geweld niet hun recht halen. De leiders in Afrika kunnen niet tevreden achterover leunen, als ze zich het lot van hun burgers aantrekken.

De huidige conflicten staan ieder op zichzelf. Er zijn wel gemeenschappelijke kenmerken: een falende staat, slecht leiderschap. Rivaliteit tussen stammen en haat tussen religieuze groepen spelen een rol. Maar etniciteit en religie zijn op zich niet de aanjagers van het huidige geweld in Afrika. Machthebbers manipuleren van bovenaf haat jegens de buren. Die haat gedijt op de bodem van armoede en werkloosheid – nog wijdverspreid.

Dát is het grote probleem van Afrika. Veel landen noteren mooie groeicijfers. De economie van Nigeria, het volkrijkste land van Afrika, groeit de laatste jaren jaarlijks met gemiddeld 7 procent, Kenia dit jaar met naar verwachting ruim 6 procent. Maar de bevolking schiet er (nog) niet veel mee op. ‘Na een decennium van groei in Afrika, is er weinig veranderd aan het gevoel van armoede bij de massa van gewone mensen’, concludeerde het onderzoeksbureau Afro Barometer afgelopen najaar. Van de 44 minst ontwikkelde landen volgens de Human Development Index van de VN liggen er 33 in Afrika: 70% van de bevolking beneden de Sahara moet rondkomen van 2 dollar of minder per dag (gemeten naar lokale koopkracht).

De bevolkingsomvang neemt sneller toe dan de economie groeit. Voor jongeren zijn er geen banen. Of – nog problematischer – corrupte politici en roofzuchtige machthebbers houden de rest buiten de deur. Ze vullen hun eigen zakken, maar bouwen geen staat op die burgers elementaire diensten levert. En als het er op aankomt, zijn ze niet te beroerd bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten. De slachtoffers in Zuid-Soedan, in de CAR en in de andere conflictgebieden weten dat als geen ander.