Communiceren was niet zijn ding

PSV-directeur Tiny Sanders stapt op, maakte hij afgelopen weekeinde bekend // Alles wat mis kon gaan, leek onder zijn leiding ook mis te gaan // Dat beeld kon Sanders niet veranderen

Sportredacteur

Tiny Sanders liet half december in de directiekamer van het Philips Stadion tussen neus en lippen door weten dat het betaald voetbal in velerlei opzichten zijn wereld niet was. De algemeen directeur van PSV moest de toekomst van de club voor de lange termijn bewaken, maar ontkwam niet aan de waan van de dag. Na vier jaar balanceren houdt de voormalige topman van Friesland Campina het op 1 april voor gezien bij de Eindhovense voetbalclub. „Het waren boeiende, uitdagende, fascinerende, liefdevolle en energie vretende jaren”, aldus Sanders vorige week tijdens de nieuwjaarsreceptie.

Sanders had zich er heel wat anders van voorgesteld toen hij in juli 2010 in dienst trad van zijn jeugdliefde. Als kleine jongen zag hij op de PSV-tribunes van nabij hoeveel emoties winst en verlies opriepen. Na een nederlaag ging hij als fan met een rotgevoel naar huis. Als directeur maakte zich de afgelopen jaren bij slechte resultaten vooral machteloosheid van zich meester. „Je wilt zo graag dat de ploeg wint, maar je kunt niets doen”, zo stelde hij in deze krant.

De 57-jarige Sanders stond bij PSV al snel voor een loodzware opdracht. Het elftal verspeelde de strijd om de landstitel, liep kwalificatie voor de Champions League mis en de beoogde miljoenen voor de verkoop van sterspeler Ibrahim Afellay kwamen niet binnen. PSV had dertig miljoen euro minder te besteden. Een noodscenario lag niet klaar. De club dreigde de salarissen van de spelers niet meer te kunnen betalen. Sanders moest de topclub opeens behoeden voor een faillissement. De fans eisten echter resultaten op het veld. Een lastige spagaat.

De Brabander liet zich niet leiden door emoties en greep hard in. Sanders rekende af met de clubcultuur, waarvan Brabantse gemeenschapszin en gemoedelijkheid belangrijke elementen waren. Hij schakelde consultancybureau McKinsey in en voerde bezuinigingen door. De gemeente Eindhoven schoot het noodlijdende PSV te hulp door voor 48,4 miljoen euro de grond onder het stadion en onder trainingscomplex De Herdgang te kopen. PSV was gered.

Sanders kreeg door de buitenwacht vooral het predicaat van kille zakenman opgeplakt. Hij profileerde zich als de baas van ‘het bedrijf PSV’. In het stadion werden zaken gedaan, producten ontwikkeld, diensten geleverd. De afstand tussen de commerciële staf en de voetballers werd vergroot. De rol van Philips is tot verdriet van voormalige bestuurders van het concern verwaarloosbaar. En Sanders maakte zich niet populair door zich kritisch uit te laten over de spelers. Zo zette hij kwaad bloed door in 2011 aanvoerder Orlando Engelaar een grootverdiener te noemen.

De selectie van de Philips Sport Vereniging onderging de voorbije jaren verschillende keren een metamorfose. Onder leiding van technisch manager Marcel Brands werd tevergeefs geprobeerd om een kampioenselftal te formeren dat in 2013 het eeuwfeest extra glans zou moeten geven. In meerdere opzichten liep het jubileumjaar uit op een debacle. Niet alleen sportieve resultaten bleven uit, maar de club kwam ook in opspraak door verschillende incidenten. Spelers gingen over de schreef. PSV kreeg te maken met een imagoprobleem. Sanders kon het beeld niet veranderen. Communiceren was nu eenmaal niet zijn sterkste eigenschap.

Hoewel het betaald voetbal in snel tempo verzakelijkt, wilde de achterban de Brabantse clubcultuur weer terugbrengen. Clubicoon Phillip Cocu werd hoofdtrainer en onder leiding van oud-zwemmer Pieter van den Hoogenband werd een forum opgericht. Na een goed begin viel het jonge PSV ver terug. Op hetzelfde moment velde het forum een hard oordeel over de heersende cultuur. Op de achtergrond vielen de voormalige voorzitter Harry van Raaij en oud-doelman Ronald Waterreus Sanders meer dan eens af. Ze speelden in op het onderbuikgevoel.

Sanders kroop opnieuw in zijn schulp. Hij wilde de inhoud van het rapport intern houden, maar tot zijn woede belandde het nieuws op straat. De directeur haalde hard uit naar ‘het lek’. Sanders zag het als het zoveelste bewijs dat het fatsoen binnen het voetbal vaak ontbreekt. „Ik vind het verschrikkelijk als het normaal en vanzelfsprekend is dat er in het voetbal altijd onbetrouwbare mensen in de omgeving zijn. Als ik met dat soort mensen moet werken zeg ik: ‘Ik schei ermee uit. Dit is mijn wereld niet’, zei Sanders vorige maand. Een paar weken later trok hij zijn conclusies.